Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

Algemeen

Artikel 6.1

  1. De gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders dragen ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de huisvestingsvoorzieningen op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig dit hoofdstuk. De raad en het college van burgemeester en wethouders behandelen daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.

  2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden school ook verstaan een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging of tijdelijke nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.

Artikel 6.2

  1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder huisvestingsvoorzieningen verstaan:

    1. voor blijvend respectievelijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

      1. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, en ook de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair;

      2. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen; en

      3. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;

    2. herstel van constructiefouten aan het gebouw of het terrein; of

    3. herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling die huisvestingsvoorzieningen ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020