Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 5

Bijzondere bepalingen gebruik

Artikel 6.16

  1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw, het terrein en de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

  2. Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders vervreemden of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, anders dan een vervreemding op grond van artikel 3.33, is nietig.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing op het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke huisvestingsvoorziening op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 6.17

  1. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.

  2. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  3. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd voor het onderwijs in lichamelijke opvoeding of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, niet zijnde voortgezet onderwijs, of voor educatie als bedoeld in de WEB dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd een sportterrein, buiten de tijden dat het terrein voor het voortgezet onderwijs wordt gebruikt, gedurende die tijd te bestemmen voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden, op zodanige wijze dat het zich verdraagt met het onderwijs dat op het terrein wordt gegeven.

  4. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school, voert het college van burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van de andere school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 6.18

  1. Voor zover artikel 6.17 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het college van burgemeester en wethouders vereist.

  2. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid eindigt:

    1. indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 6.17 zonder dat enige schadeplicht ontstaat; of

    2. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.

  3. Een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid vindt niet plaats indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  4. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een ingebruikgeving of verhuur op grond van het eerste lid.

  5. Het zonder toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school en ook elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst voor schoolgebouwen, is nietig.

Artikel 6.19

De huisvestingsvoorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 6.18 of 6.20 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, komen niet ten laste van de gemeente.

Artikel 6.20

  1. Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

  2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het eerste lid op aanvraag besluiten dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag voor het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school.

  3. Bij toepassing van het eerste lid stellen het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van de betrokken school gezamenlijk vast of voorzieningen in een slechte bouwkundige staat verkeren als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud. Indien dat het geval is, vindt verrekening plaats van de daarmee gemoeide kosten.

  4. De gemeenteraad en het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen treffen gezamenlijk een voorziening voor het beslechten van geschillen die zich bij de toepassing van het derde lid voordoen.

  5. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het college van burgemeester en wethouders.

  6. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het tweede lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een besluit als bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte, het onherroepelijk geworden besluit respectievelijk de uitspraak, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet W.V.O., zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, en waarvoor door het bevoegd gezag van rijkswege slechts een rentevergoeding is ontvangen, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

  7. Het college van burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

  8. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil over de toepassing van het zevende lid op aanvraag besluiten dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om het besluit wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Voordat op de aanvraag wordt besloten, horen gedeputeerde staten de wederpartij.

  9. Zodra de in het zevende lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of het in het achtste lid bedoelde besluit van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het achtste lid, eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van het college van burgemeester en wethouders verhuren.

  10. De toestemming, bedoeld in het negende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste drie jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak steeds worden verlengd met ten hoogste drie jaren.

  11. Artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op een verhuur als bedoeld in het negende lid.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020