Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 8

Stages

Artikel 7.42

  1. Het bevoegd gezag laat ho-studenten die zijn ingeschreven voor een opleiding op grond van de WHW voor het beroep van leraar of die op een andere manier studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen voor een functie in het voortgezet, beroeps- of primair onderwijs tot de school toe om de ervaring in de school te verkrijgen die als onderdeel van hun opleiding is vereist. Van deze verplichting kan Onze Minister het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk ontheffing voor een schooljaar verlenen.

  2. Deze verplichting voor het bevoegd gezag geldt voor in totaal per schooljaar vijf procent van het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd in dat jaar verzorgde onderwijsprogramma. Bij ministeriële regeling kan het percentage lager worden vastgesteld.

  3. De rector, de directeur of de centrale directie regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de begeleiding van de ho-studenten in de school door de leraren, in overeenstemming met de leraren en de betrokken opleidingsinstellingen.

  4. De scholen waartoe de ho-studenten zijn toegelaten, zijn voor zover dat nodig is voor het toezicht op, of de begeleiding van de praktische vorming van deze ho-studenten, toegankelijk voor:

    1. de inspectie die is belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen;

    2. de directieleden en de docenten van die opleidingsinstellingen, aan te wijzen door de directieleden; en

    3. leden van het College voor toetsen en examen.

  5. Een bevoegd gezag kan een ho-student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien de ho-student in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Het bevoegd gezag motiveert de beslissing tot ontzegging en maakt deze schriftelijk bekend aan de ho-student. Het bevoegd gezag zendt aan het bevoegd gezag van de opleidingsinstelling een afschrift van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school.

Artikel 7.43

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    1. het maximum aantal lessen in een vak van een schoolsoort waarvoor het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42 toe te laten, welk maximum niet meer is dan twintig procent;

    2. het maximum aantal ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, dat bij dezelfde les kan worden toegelaten, welk maximum, behalve in bijzondere omstandigheden, niet meer is dan drie; en

    3. de gevolgen van het toelaten van meer dan één ho-student bij dezelfde les voor het maximum, bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, en het maximum, bedoeld in onderdeel a.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de wijze van aanmelden van ho-studenten als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, en de termijn voor de aanmelding die het bevoegd gezag mag stellen;

    2. de wijze waarop de school bekendheid geeft aan opleidingsinstellingen en het College voor toetsen en examens over de beschikbaarheid en de aard van schoolpracticumplaatsen;

    3. de categorieën ho-studenten voor wie de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt;

    4. regulering in de situatie dat, bij een beperkte beschikbaarheid van schoolpracticumplaatsen aan de school, gelijktijdig ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het voortgezet onderwijs, en ho-studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs, worden aangemeld; of

    5. de vakken van een schoolsoort waarvoor in verband met de geringe omvang van het onderwijs daarin, de verplichting, bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, niet geldt.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020