Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 9

Klachten, maatregelen en aanwijzingen

Artikel 3.35

  1. Het bevoegd gezag stelt een klachtenregeling vast waarbij een klachtencommissie wordt ingesteld.

  2. De klachtencommissie bestaat uit ten minste drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.

  3. Ouders, leerlingen en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie een klacht indienen over:

    1. gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel, waaronder discriminatie; of

    2. het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel.

  4. De klachtenregeling omvat naast het instellen van de klachtencommissie in elk geval:

    1. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht;

    2. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen;

    3. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, en de wijze waarop bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld; en

    4. waarborgen dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.

Artikel 3.36

  1. De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:

    1. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten; en

    2. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.

  2. De klachtencommissie beoordeelt de gegrondheid van de klacht en deelt het oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.

  3. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel van de klachtencommissie schriftelijk en gemotiveerd mee of hij het oordeel over de klacht deelt en of en zo ja, welke maatregelen hij zal nemen. Bij afwijking van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, doet het bevoegd gezag daarvan gemotiveerd mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn besluit bekend zal maken.

  4. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij toegang krijgt tot gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  5. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de klachtencommissie en het bevoegd gezag.

Artikel 3.37

  1. Indien het bevoegd gezag tekort schiet in zijn zorg voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 2.87, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag, of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag, maatregelen treffen.

  2. Tot de maatregelen hoort de mogelijkheid om het bevoegd gezag te laten bijstaan door een externe deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen worden verstrekt aan de school.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien het bevoegd gezag tekortschiet in zijn zorg voor de kwaliteit van de uitoefening van de taken van een samenwerkingsverband en de kwaliteit van het bestuur van een samenwerkingsverband.

Artikel 3.38

  1. Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.

  2. Onder wanbeheer wordt verstaan:

    1. financieel wanbeleid;

    2. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met artikel 2.87, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;

    3. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;

    4. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;

    5. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder;

    6. het handelen in strijd met de zorgplicht voor de veiligheid, bedoeld in artikel 3.40, dat leidt of dreigt te leiden tot het toebrengen van ernstige sociale, psychische of fysieke schade aan een of meer leerlingen;

    7. het structureel of flagrant handelen in strijd met de burgerschapsopdracht, bedoeld in artikel 2.2, dat leidt of dreigt te leiden tot ernstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratische rechtsstaat.

  3. Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

  4. De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

  5. Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.

  6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven aanwijzing aan een samenwerkingsverband.

Artikel 3.38a

  1. Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:

    1. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;

    2. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.38, tweede lid, volgt; en

    3. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.

  2. Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.

  3. De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

  4. De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  5. Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.

  6. Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.

  7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een door Onze Minister te geven spoedaanwijzing aan een samenwerkingsverband.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020