Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

Invoeringsrecht WVO 2020

Artikel 12.1

Aanvragen voor de toelaatbaarheid tot praktijkonderwijs op grond van artikel 10g, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.30, tweede lid.

Artikel 12.2

Aanvragen tot het zijn aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs op grond van artikel 10e, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.43, eerste lid.

Artikel 12.3

Aanvragen om te worden aangewezen als school met examenbevoegdheid op grond van artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 112, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.67.

Artikel 12.4

Aanvragen om te worden aangewezen als vso-school met examenbevoegdheid op grond van artikel 59a, eerste lid, in samenhang met artikel 56, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die artikelen luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 2.71, eerste lid, in samenhang met artikel 2.67.

Artikel 12.5

  1. Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.105, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 10b4, tweede lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op eerstbedoelde datum, worden aangemerkt als leerbedrijven met een erkenning als bedoeld in artikel 2.105, derde lid.

  2. Bedrijven en organisaties die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.31, beschikken over een gunstige beoordeling op grond van artikel 22, tweede lid, eerste volzin, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals luidend op eerstbedoelde datum, behouden die gunstige beoordeling op het moment van inwerkingtreding van artikel 11.31.

Artikel 12.6

Een aanwijzing wegens wanbeheer, gegeven op grond van artikel 103g van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 183 van de Wet voortgezet onderwijs BES, beide zoals luidend onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wetten zijn vervallen, waarover bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, wordt aangemerkt als te zijn gegeven op grond van artikel 3.38, eerste lid.

Artikel 12.7

  1. In afwijking van artikel 4.1 berust de aanspraak op bekostiging van een school of scholengemeenschap die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel werd bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, na de inwerkingtreding van artikel 4.1 op hoofdstuk 4, paragraaf 1, en hoofdstuk 11, paragraaf 4, met dien verstande dat:

    1. een school voor vwo als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 13 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor vwo als bedoeld in artikel 2.4;

    2. een school voor havo als bedoeld in artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 14 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor havo als bedoeld in artikel 2.5;

    3. een school voor mavo als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 15 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor mavo als bedoeld in artikel 2.6;

    4. een school voor vbo als bedoeld in artikel 10a van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 17 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor vbo als bedoeld in artikel 2.7;

    5. een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 31 van de Wet voortgezet onderwijs BES wordt aangemerkt als school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8.

  2. De aanspraak op bekostiging van een inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld op grond van artikel 117, eerste lid, WVO BES, en van de Saba Comprehensive School, genoemd in artikel 207, onderdeel d, WVO BES berust na de inwerkingtreding van artikel 2.86 op dat artikel.

Artikel 12.8

  1. Op aanvragen die op grond van titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 75a, of III, van de Wet op het voortgezet onderwijs of titel III, afdeling I, met uitzondering van artikel 127e, of III van de Wet voortgezet onderwijs BES zijn ingediend bij Onze Minister, waarop nog niet definitief is beslist op het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4, zijn de overeenkomstige regels van dat hoofdstuk, respectievelijk die paragraaf van toepassing.

  2. Besluiten van Onze Minister op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een school, een afdeling voor havo, een profiel van een school voor vbo, een scholengemeenschap, een cursus of leerwegondersteunend onderwijs, worden aangemerkt als te zijn genomen op grond van de overeenkomstige bepalingen van hoofdstuk 4, respectievelijk hoofdstuk 11, paragraaf 4.

Artikel 12.9

  1. Het dienstverband tussen het bevoegd gezag van een school als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet voortgezet onderwijs BES, en een personeelslid dat op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.2 in dienst is bij dat bevoegd gezag wordt met ingang van die inwerkingtreding voortgezet door het bevoegd gezag van die school, voor zover:

    1. het dienstverband gezien de rechten en verplichtingen die gelden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2 op die datum zou zijn gehandhaafd, en

    2. het personeelslid op de dag voor die datum werkzaam was binnen een school van dat bevoegd gezag.

  2. Bij voortzetting van een dienstverband als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 7.2, worden zoveel mogelijk de rechten en verplichtingen in acht genomen die onder de werking van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES vanaf die datum in dat dienstverband zouden hebben gegolden.

Artikel 12.10

De termijn van zes jaren, bedoeld in artikel 7.10, vierde lid, vangt aan op het moment waarop voor de laatste maal toepassing is gegeven aan artikel 36, zesde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.10.

Artikel 12.11

Degene die op het tijdstip van inwerkingtreding van bekwaamheidseisen, vastgesteld op grond van artikel 7.23, vierde lid, of 7.24, tweede lid, aan een school werkzaamheden van onderwijskundig-leidinggevende aard verricht, respectievelijk onderwijsondersteunende werkzaamheden, wordt aangemerkt als op dat tijdstip aan die bekwaamheidseisen te voldoen.

Artikel 12.12

Aanvragen tot het uitvoeren van een geschiktheidsonderzoek, op grond van artikel 118l van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 198 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.27.

Artikel 12.13

Op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel nog geldige geschiktheidsverklaringen, afgegeven op grond van artikel 118k, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 197, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, gelden vanaf die inwerkingtreding als te zijn afgegeven op grond van artikel 7.28, eerste lid, indien deze verklaringen vanaf dat tijdstip geldig zouden zijn geweest.

Artikel 12.14

Instellingen voor hoger onderwijs die bij inwerkingtreding van dit artikel bevoegd zijn tot het verrichten van het geschiktheidsonderzoek als bedoeld in artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7.29, worden aangemerkt als instellingen met een erkenning als bedoeld in artikel 7.29.

Artikel 12.15

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van geschiktheidsonderzoeken, op grond van artikel 118n van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 200 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.29.

Artikel 12.16

Een gedane melding onder overlegging van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, of artikel 202, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES, zoals die artikelen luidden op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, geldt als te zijn gedaan op grond van artikel 7.32, eerste lid.

Artikel 12.17

Aanvragen tot het mogen uitvoeren van scholing, begeleiding en het bekwaamheidsonderzoek bij zij-instroom, op grond van artikel 118p van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 202 van de Wet voortgezet onderwijs BES, waarop bij inwerkingtreding van deze wet nog niet definitief is beslist, worden aangemerkt als te zijn ingediend op grond van artikel 7.32.

Artikel 12.18

Algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen op grond van artikel 118t van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 205a van de Wet voortgezet onderwijs BES, met betrekking tot experimenten waarvan de duur op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.1 nog niet is verstreken, berusten met ingang van dat tijdstip op artikel 9.1 of, indien van toepassing, op artikel 9.2.

Artikel 12.19

Besluiten van Onze Minister, genomen op grond van artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, berusten met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10.1 op dat artikel.

Artikel 12.20

  1. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet op het voortgezet onderwijs en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:

    1. aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;

    2. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.

  2. Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, blijven de Wet voortgezet onderwijs BES en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop die wet is vervallen, van toepassing op:

    1. aanvragen die op grond van die wet of die voorschriften binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend bij Onze Minister en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen;

    2. bezwaarschriften en beroepschriften die binnen de daarvoor geldende termijn zijn ingediend met betrekking tot die wet of die voorschriften en betrekking hebben op de periode voor het tijdstip waarop die wet is vervallen.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020