Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 6

Aanwijzing als school met examenbevoegdheid

Artikel 2.66

  1. Onze Minister kan op aanvraag een niet uit ’s Rijks kas bekostigde school waarvan de cursusduur, de opdracht tot bevorderen van actief burgerschap en sociale cohesie, het schoolplan en de bevoegdheid van de leraren overeenkomen met die van een uit ’s Rijks kas bekostigde school voor vwo, havo, mavo of vbo, aanwijzen als bevoegd om aan leerlingen die met goed gevolg een eindexamen aan de school afleggen, het diploma uit te reiken, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid.

  2. Artikel 2.62 is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid om het eindexamen af te nemen.

  3. De bij of krachtens paragraaf 5 van dit hoofdstuk gestelde bepalingen zijn op het eindexamen van toepassing.

Artikel 2.67

  1. Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

    1. het schoolplan van de school;

    2. bewijsstukken dat de leraren voldoen aan de bekwaamheidseisen, bedoeld in artikel 7.44; en

    3. de statuten en het reglement van de rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die de school in stand houdt.

  2. Onze Minister beslist binnen 26 weken na ontvangst van een aanvraag.

Artikel 2.68

  1. Het schoolplan van een school die op grond van artikel 2.66, eerste lid, is aangewezen, voldoet in elk geval aan de regels die zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 2.2, 2.12 tot en met 2.27, 2.37, 2.38, en 2.88 tot en met 2.91.

  2. De naam van de school vermeldt de schoolsoort waarin het onderwijs aan de school wordt aangeboden.

  3. De voorwaarden voor de toelating tot de school zijn in elk geval gelijk aan de voorwaarden die voor de toelating zijn vastgesteld op grond van de artikelen 8.4 en 8.16.

  4. Artikel 2.94 is van overeenkomstige toepassing.

  5. Het bevoegd gezag meldt wijziging van het schoolplan onmiddellijk aan de inspectie.

Artikel 2.69

Op een school die is aangewezen op grond van artikel 2.66, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen:

  1. 5.38;

  2. 8.10 en 8.11; en

  3. 8.19 tot en met 8.22.

Artikel 2.70

Onze Minister kan de aanwijzing, bedoeld in artikel 2.66, eerste lid, intrekken indien:

  1. niet meer wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.66, 2.68 en 2.69, met uitzondering van onderdeel d, en 2.109;

  2. niet of niet meer is voldaan aan de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;

  3. misbruik van de aanwijzing is gebleken; of

  4. het bevoegd gezag of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, Awb.

Artikel 2.71

  1. Op scholen als bedoeld in artikel 1 WEC waar voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, zijn van overeenkomstige toepassing de artikelen 2.66, 2.67, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 2.68, 2.70, 2.109, 2.109a en 9.3.

  2. Op scholen voor voortgezet speciaal onderwijs die door Onze Minister zijn aangewezen op grond van het eerste lid, juncto artikel 2.66, zijn van overeenkomstige toepassing:

    1. de bij of krachtens de artikelen 2.26, derde lid, 2.32 en 2.106 gestelde bepalingen; en

    2. de artikelen 2.102, vijfde en zevende lid, onderdeel b, 2.103 tot en met 2.105, 2.107, 2.107a tot en met 2.107l en 5.45, voor zover het gaat om de basisberoepsgerichte leerweg van het vbo.

  3. Onze Minister kan, onverminderd artikel 2.70, de aanwijzing intrekken indien niet meer wordt voldaan aan het tweede lid.

  4. Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van de op grond van het eerste en tweede lid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde regels. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs in aanvulling op de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.13 kerndoelen worden vastgesteld. Daarbij kan worden bepaald dat het onderwijs na de eerste twee leerjaren ook wordt verzorgd op basis van de kerndoelen die zijn vastgesteld op grond van dit lid.

  5. Voor een aangewezen school voor voortgezet speciaal onderwijs kunnen provinciale staten van Fryslân bij verordening kerndoelen Friese taal en cultuur vaststellen in afwijking van de kerndoelen Friese taal en cultuur die zijn vastgesteld op grond van artikel 2.16. De artikelen 2.15 tot en met 2.17 zijn van overeenkomstige toepassing op de verordening.

  6. Indien een aanvraag op grond van het eerste lid betrekking heeft op het vbo, geeft het bevoegd gezag in de aanvraag aan in welke profielen, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, het onderwijs wordt verzorgd.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020