-
De bekostiging voor een school of scholengemeenschap bestaat uit:
een bedrag per vestiging van de school of scholengemeenschap, indien de vestiging voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar het soort vestiging wat betreft het al dan niet in aanmerking komen voor bekostiging en de hoogte van het bedrag; en
een bedrag per leerling, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar schoolsoort, leerjaar, leerweg of profiel.
-
Indien op één adres vestigingen van verschillende scholen of scholengemeenschappen van hetzelfde bevoegd gezag zijn gehuisvest, wordt aan iedere vestiging een deel van het bedrag per vestiging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verstrekt naar rato van het aantal vestigingen op dat adres, rekening houdend met het soort vestiging.
-
De bekostiging is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een school. De bekostiging wordt per school of scholengemeenschap berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
-
De bekostiging van de scholen wordt verstrekt voor:
salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor het personeel;
bijdragen voor het pensioen voor het personeel en dat van de nagelaten betrekkingen;
de kosten van vervanging van het personeel, werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, en uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet;
onderhoud van het gebouw en het terrein;
energie- en waterverbruik;
middelen waaronder mede wordt verstaan lesmateriaal als bedoeld in artikel 2.110;
administratie, beheer en bestuur;
loopbaanoriëntatie en -begeleiding;
schoonmaken van het gebouw en het terrein; en
publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van onroerende zaken.
Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel
Inhoud
Paragraaf 2
Artikel 5.5
-
Een school of scholengemeenschap die op grond van artikel 4.8 of 2.48, tweede lid, in aanmerking komt voor bekostiging van leerwegondersteunend onderwijs ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.
-
Een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 ontvangt in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, een bedrag per leerling voor wie het samenwerkingsverband heeft bepaald dat deze toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs.
Artikel 5.6
-
Onze Minister stelt de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.
-
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, en 5.5 vastgesteld en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.
-
De vastgestelde bedragen gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van vaststelling.
-
Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, of bij tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te stellen regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks financiën zich daartegen verzet.
Artikel 5.8
-
Voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in de artikelen 5.4 en 5.5, neemt Onze Minister in aanmerking het aantal en het soort vestigingen van de school of scholengemeenschap, alsmede het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft:
als werkelijk schoolgaand aan de school of scholengemeenschap stond ingeschreven; en
in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen voor de bekostiging wordt meegeteld.
-
In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school of scholengemeenschap kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de leerlingen, bedoeld in het eerste lid, op die afwijkende datum toerekenen aan de nieuwe scholen. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de leerlingen die niet worden meegeteld voor het bepalen van de hoogte van de bekostiging.
Artikel 5.9
-
Indien bijzondere ontwikkelingen in het voortgezet onderwijs daartoe aanleiding geven, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging.
-
Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verstrekken van aanvullende bekostiging voor een scholengemeenschap met een hoofd- of nevenvestiging waaraan elk van de schoolsoorten, genoemd in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met d, wordt verzorgd.
Artikel 5.10
-
Indien bijzondere omstandigheden van een school daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister aanvullende bekostiging verstrekken.
-
De verstrekking vindt plaats:
op aanvraag van het bevoegd gezag;
indien nodig onder het verbinden van verplichtingen aan het bevoegd gezag aan de verstrekking; en
voor een bepaalde periode.
-
De aanvraag wordt ingediend in het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich voordoen. Onze Minister beslist binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen achttien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis en noemt bij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-
Onze Minister kan in verband met de in het eerste lid bedoelde bekostiging een bekostigingsplafond vaststellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.
Artikel 5.11
Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding, bedoeld in de artikelen 184 WPO en 163 WEC ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs. Onze Minister kan aan de beschikbaarstelling voorwaarden verbinden. Bij de toepassing van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 5.12
-
Onze Minister kan aan de kerkelijke gemeenten of de plaatselijke kerken, bedoeld in artikel 2.35, eerste lid, en aan de genootschappen, bedoeld in artikel 2.35, tweede lid, subsidie verstrekken voor het onderwijs, bedoeld in die artikelleden.
-
De artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies zijn van toepassing, met dien verstande dat subsidie alleen kan worden verstrekt op grond van een algemene maatregel van bestuur.