Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

Schoolsoorten, doelen en structuren voortgezet onderwijs

Artikel 2.1

  1. Voortgezet onderwijs omvat de volgende schoolsoorten:

    1. vwo;

    2. havo;

    3. mavo;

    4. vbo; en

    5. praktijkonderwijs.

  2. Onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 is ook voortgezet onderwijs.

Artikel 2.2

  1. Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:

    1. het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school;

    2. het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving; en

    3. het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.

  2. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het eerste lid, onder c, genoemde verschillen.

Artikel 2.3

Openbaar voortgezet onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden die leven in de Nederlandse samenleving. Daarbij wordt de betekenis van de verscheidenheid van deze waarden onderkend. Openbaar voortgezet onderwijs wordt zo gegeven dat ieders godsdienst of levensovertuiging wordt geëerbiedigd.

Artikel 2.4

  1. Vwo wordt gegeven aan scholen voor vwo, die zijn onderscheiden in gymnasia en athenea. Aan een gymnasium wordt in elk geval voortgezet onderwijs gegeven in Latijnse taal en cultuur en Griekse taal en cultuur.

  2. Vwo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend wetenschappelijk onderwijs.

  3. Vwo heeft een cursusduur van zes leerjaren.

Artikel 2.5

  1. Havo wordt gegeven aan:

    1. scholen voor havo; en

    2. afdelingen van scholen voor mavo, die beginnen na vier jaren mavo.

  2. Havo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend hoger beroepsonderwijs.

  3. Havo aan scholen voor havo heeft een cursusduur van vijf leerjaren.

  4. Havo aan afdelingen van scholen voor mavo heeft een cursusduur van twee leerjaren.

Artikel 2.6

  1. Mavo wordt gegeven aan scholen voor mavo.

  2. Mavo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs of op havo.

  3. Mavo heeft een cursusduur van vier leerjaren.

Artikel 2.7

  1. Vbo wordt gegeven aan scholen voor vbo.

  2. Vbo is ingericht om voor te bereiden op aansluitend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB, of artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b, c en d, WEB BES.

  3. Vbo heeft een cursusduur van vier leerjaren.

Artikel 2.8

  1. Praktijkonderwijs wordt gegeven aan scholen voor praktijkonderwijs.

  2. Praktijkonderwijs is ingericht om voor te bereiden op functies binnen de regionale arbeidsmarkt op een niveau onder dat van de entreeopleiding.

Artikel 2.9

  1. Scholen voor voortgezet onderwijs zijn dagscholen.

  2. Aan een school kunnen contractactiviteiten worden verricht bestaande uit:

    1. cursussen waarvan de kosten niet ten laste van 's Rijks kas komen; of

    2. werkzaamheden voor eigen rekening van de school voor derden.

  3. Deze cursussen of werkzaamheden houden verband met het onderwijs aan de school en schaden niet het belang van het onderwijs aan de school.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020