Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 1

Experimenten

Artikel 9.1

  1. Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het voortgezet onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

    1. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragrafen 7 en 10, de hoofdstukken 4, 6 en 9, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;

    2. artikel 1 LPW of artikel 1 LPW BES;

    3. artikel 1 van de Les- en cursusgeldwet;

    4. artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering 2000 of artikel 1.1 van de Wet studiefinanciering BES;

    5. artikel 1.1 WTOS; en

    6. de hoofdstukken 1 tot en met 4 van de Wet NLQF.

  2. Deze algemene maatregel van bestuur regelt in elk geval:

    1. het doel van het experiment;

    2. van welke artikelen die in het eerste lid zijn genoemd, kan worden afgeweken en op welke wijze;

    3. de duur van het experiment; en

    4. de wijze waarop en de criteria waarmee de effecten worden geëvalueerd die met het experiment zijn beoogd.

  3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van een experiment.

  4. Een experiment duurt maximaal zes jaar, of maximaal acht jaar indien de bijzondere aard van het experiment dat noodzakelijk maakt. Indien een voorstel van wet is ingediend om het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling voordat het experiment is afgelopen, kan Onze Minister de duur van het experiment verlengen tot het tijdstip waarop die wettelijke regeling in werking is getreden.

  5. Onze Minister zendt drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in de praktijk, en een standpunt over omzetting van het experiment in een structurele wettelijke regeling.

Artikel 9.2

  1. Indien scholen in een experiment samenwerken met scholen als bedoeld in de WPO, scholen of instellingen als bedoeld in de WEC, instellingen als bedoeld in de WEB of instellingen als bedoeld in de WHW, kan met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:

    1. deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 3, paragraaf 7, de hoofdstukken 4 en 6, en hoofdstuk 11, paragrafen 4 en 6;

    2. voor scholen als bedoeld in de WPO: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 47 en 48, en titel IV, afdeling 1, 2, 4 tot en met 6 en afdeling 7, paragrafen 2, en afdeling 8, paragrafen 1 en 2, WPO;

    3. voor scholen als bedoeld in de WPO BES: hoofdstuk I, titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1en afdeling 2, artikelen 53 en 54 en titel III, afdelingen 1, 2, 4 tot en met 6 en 7, paragraaf 1, WPO BES;

    4. voor scholen of instellingen als bedoeld in de WEC: titel I, artikelen 1 en 2, titel II, afdeling 1, afdeling 2, artikelen 50 en 51, en titel IV, afdelingen 1, 2, en 4, afdeling 5, paragraaf 1, afdeling 6, paragraaf 2, en afdeling 7 artikelen 133 tot en met 137 en artikel 140 WEC;

    5. voor instellingen als bedoeld in de WEB: hoofdstuk 2, titel 2, en hoofdstukken 6 en 7 WEB;

    6. voor instellingen als bedoeld in de WEB BES: hoofdstuk 2, titel 2, en de hoofdstukken 6 en 7 WEB BES; en

    7. voor instellingen als bedoeld in de WHW: hoofdstuk 2, titel 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 6 en 7, hoofdstuk 9, titel 2, hoofdstuk 10, titel 3 en hoofdstuk 11, en paragraaf 4 WHW.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke bij of krachtens deze wet, de WPO, de WPO BES, de WEC, de WEB, de WEB BES of de WHW gestelde regels van toepassing of van overeenkomstige toepassing zijn op de samenwerking.

  3. Artikel 9.1 is van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020