Wet voortgezet onderwijs 2020 Actueel

Inhoud

Paragraaf 4

Voorwaarden voor benoeming van leidinggevend en onderwijsondersteunend personeel

Artikel 7.23

  1. Het bevoegd gezag kan tot rector, directeur, conrector of adjunct-directeur benoemen degene die:

    1. op grond van artikel 7.11 als leraar bevoegd is tot het geven van voortgezet onderwijs in een van de vakken die aan de school worden onderwezen, en

    2. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van het vierde lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, waaruit blijkt dat is voldaan aan die eisen, of

    3. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties voor de werkzaamheden die hij zal verrichten, of

    4. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.

  2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de leden van de centrale directie als bedoeld in artikel 7.4.

  3. Het bevoegd gezag van een school zonder centrale directie kan voor ten hoogste de helft van het aantal personeelsleden, bedoeld in het eerste lid, aan die school afwijken van het eerste lid, onderdeel a.

  4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten.

  5. Onze Minister kan een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht, in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het vierde lid kunnen worden vastgesteld.

Artikel 7.24

  1. Het bevoegd gezag kan met onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid, belasten degene die:

    1. in het bezit is van een getuigschrift dat is afgegeven op grond van de WHW, de WEB, of de WEB BES waaruit blijkt dat is voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld op grond van het tweede lid;

    2. in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend voor die werkzaamheden; of

    3. volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor onderwijsondersteunende werkzaamheden die bij die maatregel worden aangewezen en die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.

  3. Het bevoegd gezag kan het onderwijsondersteunende personeelslid dat niet voldoet aan het eerste lid, toch voor ten hoogste twee jaar belasten met werkzaamheden waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld. De eerste volzin wordt alleen toegepast indien het bevoegd gezag en betrokkene schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene zich ervoor inspant om binnen twee jaar alsnog te voldoen aan die bekwaamheidseisen.

  4. Voor ho-studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, WHW en mbo-studenten in de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 WEB of artikel 7.2.2 WEB BES die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van het tweede lid bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan het bevoegd gezag voor de duur van die werkzaamheden afwijken van het eerste lid.

  5. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de onderwijsondersteunende functionaris is belast met contractactiviteiten.

← terug naar Wet voortgezet onderwijs 2020