De IND kan de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29d, eerste lid, Vw, op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw weigeren, als:
er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, op grond van artikel 29a Vw, aan de referent (de wachttermijn);
de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; of
de referent niet over huisvesting beschikt.
Als niet aan (één van) de aanvullende voorwaarden wordt voldaan, beoordeelt de IND of weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw evenredig is. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is onevenredig als dit zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen gaat de IND niet over tot afwijzing van de aanvraag. Weigering van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29d, tweede lid, Vw, is evenredig als dit niet zou leiden tot een schending van artikel 8 EVRM. In die gevallen wijst de IND de aanvraag af. De IND toets in deze gevallen niet ambtshalve aan artikel 8 EVRM.
Als de referent een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, is het middelen- en huisvestingsvereiste niet van toepassing. De referent die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is, hoeft alleen aan de wachttermijn te voldoen.