Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

3.4

Actoren van bescherming en beschermingsalternatief

Artikel 3.4.1.1

Bescherming door autoriteiten

Artikel 7 Kwalificatieverordening beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a Vw, als actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen en willen bieden.

De IND gaat ervan uit dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening niet mogelijk is, als de dreiging voor de vreemdeling afkomstig is van de autoriteiten in het land van herkomst. Er zijn twee uitzonderingen op deze hoofdregel:

  1. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van een persoon of een groep die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar een meerdere van die persoon of groep kan en wil tegen de persoon of groep die de dreiging veroorzaakt optreden. In dat geval moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken; of

  2. de dreiging voor de vreemdeling is afkomstig van lokale autoriteiten, maar de centrale autoriteiten willen en kunnen bescherming bieden. In dat geval verwacht de IND dat de vreemdeling bescherming zoekt bij de centrale autoriteit.

In beide uitzonderingssituaties constateert de IND dat bescherming van de vreemdeling door de autoriteiten in het land van herkomst mogelijk is.

Artikel 3.4.1.2

Bescherming door stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties

De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties, waaronder inbegrepen internationale organisaties in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening:

  1. VN; en

  2. NAVO.

Artikel 3.4.1.3

Bescherming doeltreffend en niet-tijdelijk van aard (artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening)

De IND beschouwt de bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, Kwalificatieverordening in ieder geval van niet-tijdelijke aard, als er geen concrete aanwijzingen zijn dat de doeltreffende bescherming van de vreemdeling tegen vervolging of ernstige schade door de autoriteiten en/of stabiele, gevestigde niet-overheidsinstanties binnen de voorzienbare toekomst zal eindigen.

Artikel 7, tweede lid, Kwalificatieverordening geeft aan dat actoren van bescherming redelijke maatregelen moeten treffen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade. De actor van bescherming hoeft geen volledige en sluitende garantie te bieden tegen dreigende vervolging of ernstige schade. De vreemdeling moet toegang tot deze bescherming hebben.

Artikel 3.4.1.4

Bewijslast

De IND onderzoekt eerst of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. De IND maakt hierbij gebruik van algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

Als de IND heeft vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de actoren van bescherming in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht. Als de vreemdeling dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

De IND betrekt bij de beoordeling of de actoren van bescherming in het land van herkomst in staat en bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:

  1. de individuele verklaringen van de vreemdeling, waaronder de verklaring dat geen bescherming wordt geboden;

  2. de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij tevergeefs de bescherming van de actoren van bescherming heeft ingeroepen; en

  3. informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties (zie ook artikel 7, tweede en derde lid, Kwalificatieverordening).

Artikel 3.4.2

Binnenlands beschermingsalternatief

Artikel 8 Kwalificatieverordening regelt wat wordt verstaan onder een binnenlands beschermingsalternatief.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 of 29a, Vw, als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening voor de vreemdeling beschikbaar is.

Op grond van artikel 8, derde lid, Kwalificatieverordening komt de IND pas toe aan de vraag of sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief als vastgesteld is dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In dat geval moet de IND onderzoeken en aannemelijk maken dat een vreemdeling geen internationale bescherming nodig heeft vanwege het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief. In beginsel wordt een binnenlands beschermingsalternatief niet geacht te bestaan als de staat of staatsfunctionarissen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt als duidelijk vaststaat dat de bevoegdheid van de betreffende actor duidelijk beperkt is tot een specifiek geografisch gebied of wanneer de staat zelf slechts controle heeft over bepaalde delen van het land.

Als de IND tot de conclusie komt dat een binnenlands beschermingsalternatief beschikbaar is, dan krijgt de vreemdeling de mogelijkheid om bewijzen en elementen te overleggen, waaruit blijkt dat het binnenlands beschermingsalternatief voor hem niet beschikbaar is. Als de vreemdeling hier tijdens het gehoor niet op bevraagd is en niet de gelegenheid heeft gekregen bewijs over aan te leveren, zal de vreemdeling alsnog die mogelijkheid geboden moeten worden. De IND houdt bij de beslissing op het verzoek om internationale bescherming rekening met de door de vreemdeling overgelegde bewijzen en elementen.

Bij het onderzoek naar het bestaan van een binnenlandse beschermingsalternatief, beoordeelt de IND of de vreemdeling zich kan vestigen in een ander deel van het land, dan waar hij vervolging vreest of een reëel risico loopt op ernstig lijden.

Naast het vereiste dat de dreiging in een ander deel van het land niet mag bestaan, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere deel van het land geen nieuwe dreiging zal ondervinden. Als het aannemelijk is dat de vreemdeling in het andere gebied ook heeft te vrezen voor vervolging of voor daden als bedoeld in artikel 29 of 29a Vw dan beoordeelt de IND of de vreemdeling bescherming kan inroepen tegen de dreiging in dat gebied (zie paragraaf C3/3.4.1 Vc).

Uit artikel 8, eerste lid, Kwalificatieverordening volgt dat de vreemdeling op een veilige en wettige manier moet kunnen reizen naar en zich toegang moet kunnen verschaffen tot het gebied waar hij wordt geacht binnenlandse bescherming in te kunnen roepen.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied krijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben gekregen.

Bij de beoordeling van het bestaan van een beschermingsalternatief betrekt de IND in ieder geval:

  1. of de vreemdeling zich in het gebied kan vestigen en een leven kan leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken;

  2. of de vreemdeling in het betreffende gebied niet achtergesteld wordt in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking;

  3. of de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie;

  4. de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wat betreft factoren zoals gezondheid, leeftijd, gender, inclusief genderidentiteit, seksuele gerichtheid, etnische afkomst en het behoren tot een nationale minderheid; en

  5. of de vreemdeling in zijn eigen basisbehoeften zou kunnen voorzien.

Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling is voor de IND onvoldoende reden om geen binnenlands beschermingsalternatief tegen te werpen.

De IND beoordeelt gelet op artikel 8, vierde lid Kwalificatieverordening aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen of een binnenlands beschermingsalternatief in de individuele zaak van de vreemdeling aanwezig is.

In het landgebonden asielbeleid kan de minister het bestaan van een binnenlands beschermingsalternatief op basis van de beschikbare nauwkeurige en actuele informatie uit relevante bronnen met inachtneming van de genoemde voorwaarden van tevoren vaststellen dan wel uitsluiten.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)