De IND kan op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd uit Nederland in afwachting van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening indien het volgend verzoek enkel en alleen is ingediend om de uitvoering van een besluit dat zou leiden tot de spoedige verwijdering van de verzoeker uit Nederland, te vertragen of verhinderen en het volgend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen en bevindingen.
Bij de beoordeling of een verzoek enkel en alleen is ingediend om verwijdering te vertragen of verhinderen, betrekt de IND alle omstandigheden van het geval, waaronder met name:
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
de bekendheid van de vreemdeling met het feit dat de voor de terugkeer noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 61 Procedureverordening (veilig land van herkomst);
de onderbouwing van de aanvraag.
Daarnaast kan de IND op grond van artikel 56 Procedureverordening voorzien in een uitzondering op het recht niet te worden verwijderd als een tweede of verder volgend verzoek wordt gedaan na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek is afgewezen als niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk-ongegrond. De IND maakt van deze bevoegdheid geen gebruik indien verwijdering zou leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement. Bij die beoordeling betrekt de IND in ieder geval of sprake is van nieuwe elementen en bevindingen die de kans op verlening van internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Is dat niet het geval, dan rechtvaardigt dat de conclusie dat verwijdering niet zal leiden tot schending van het beginsel van non-refoulement.