Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

4.3.2

Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen

Artikel 4.3.2

Geen of onvoldoende onderbouwing asielmotief met bewijsmaterialen

Als de vreemdeling een of meer specifieke aspecten van zijn asielmotief niet of onvoldoende heeft onderbouwd met documenten of ander bewijsmateriaal, dan kan de IND de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag zijn gelegd (alsnog) als geloofwaardig aanmerken zonder aanvullend bewijsmateriaal met betrekking tot deze specifieke aspecten te verlangen, als de vreemdeling voldoet aan de volgende vier – cumulatief geformuleerde – voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening:

  1. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening);

  2. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening);

  3. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening); en

  4. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, onder andere rekening houdend met het moment waarop de vreemdeling om internationale bescherming heeft verzocht (artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening).

Als de IND de vreemdeling heeft verzocht om aanvullend bewijsmateriaal te overleggen waarover de vreemdeling beschikt of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij het kan verkrijgen en de vreemdeling heeft zonder verschoonbare redenen niet aan dit verzoek voldaan, dan kan de IND de aldus niet onderbouwde verklaringen als ongeloofwaardig beschouwen.

Artikel 4.3.2.1

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a, Kwalificatieverordening

Bij het leveren van oprechte inspanning om zijn aanvraag te staven is onder andere van belang dat de vreemdeling zo volledig mogelijk heeft verklaard, de gestelde vragen naar beste kunnen heeft beantwoord en anderszins zo goed mogelijk heeft meegewerkt aan het vaststellen van de relevante feiten en/of omstandigheden, die ten grondslag liggen aan zijn asielmotief.

Artikel 4.3.2.2

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder b, Kwalificatieverordening

Met het overleggen van alle relevante elementen worden alle documenten en bewijsmaterialen ter staving van de verschillende relevante feiten en/of omstandigheden bedoeld. Wanneer bepaalde van deze bewijsmaterialen ontbreken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gebracht te verklaren waarom hij deze bewijsmaterialen niet heeft. De IND beoordeelt vervolgens of de verklaring bevredigend is. De vraag of de verklaringen van de vreemdeling over het ontbreken van bewijsmateriaal bevredigend zijn, betreft een individuele toets.

Dit betekent dat tijdens het gehoor gevraagd moet worden naar bewijsmaterialen ter onderbouwing van de relevante feiten en/of omstandigheden. Verwacht mag worden dat een vreemdeling die hier asiel aanvraagt zijn asielrelaas met bewijsmaterialen onderbouwt. De verklaring van de vreemdeling dat hij zijn bewijsmaterialen ter staving van zijn asielmotief onderweg is kwijtgeraakt/niet goed heeft bewaard, wordt door de IND op zichzelf niet gezien als een bevredigende verklaring voor het ontbreken van bewijsmaterialen.

Artikel 4.3.2.3

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening

Bij de vraag of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag, geeft de IND een oordeel aan de hand van alles wat de vreemdeling zelf heeft aangedragen, en van alles wat te toetsen is aan de hand van andere bronnen. De IND beoordeelt kenbaar of de verklaringen van de vreemdeling samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. Deze beoordeling wordt op objectieve, gestructureerde en transparante wijze uitgevoerd. Hierbij kan de IND onder andere betrekken:

  1. de mate waarin verklaringen gedetailleerd en specifiek zijn;

  2. de interne consistentie van de verklaringen;

  3. consistentie met informatie van andere, door de vreemdeling genoemde, getuigen; en

  4. consistentie met beschikbare (landen)informatie.

Tegenstrijdigheden tussen informatie verkregen tijdens OVA en gehoor kunnen hierbij niet zonder meer aan de vreemdeling worden tegengeworpen. De vreemdeling moet in ieder geval in de gelegenheid worden gesteld uitleg te geven over de belangrijkste tegenstrijdigheden. Als de vreemdeling geen goede verklaring kan geven ten aanzien van de tegenstrijdigheid, dan betrekt de IND dit in de beoordeling van het asielmotief.

Komt de vreemdeling in de correcties en aanvullingen terug op eerdere verklaringen, dan mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom hij daarop terugkomt. Als hij zijn verklaringen aanvult of corrigeert, dan zal hij afdoende moeten verklaren waarom volgens hem het rapport van gehoor niet klopt of onvolledig is.

In bepaalde gevallen kan de door de vreemdeling verstrekte informatie dusdanig innerlijk tegenstrijdig zijn, dat dit het gehele asielmotief aantast. Dit kan zover gaan dat sprake is van ‘verstrekken onjuiste gegevens’.

De door de vreemdeling afgelegde verklaringen worden, tezamen en in onderling verband met het bewijsmateriaal dat niet voldoet aan de in paragraaf C3/4.3.1 Vc genoemde voorwaarden, beoordeeld.

Tot slot kunnen ook resultaten van onderzoek worden betrokken. Dit kan onder meer zien op documentenonderzoek, taalanalyse en informatie over de situatie in een land van herkomst.

Artikel 4.3.2.4

Artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder d, Kwalificatieverordening

Op de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen. Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder a tot en met c, Kwalificatieverordening kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.

Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:

  1. de vreemdeling heeft reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag voor een verblijfsvergunning in Nederland of in een andere lidstaat ingediend;

  2. de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan volgehouden, dan wel een onvoldoende verklaring gegeven waarom hij dat heeft gedaan;

  3. de vreemdeling heeft ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

Ook als een vreemdeling in het kader van de AMBV-procedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Bij de beoordeling of vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, houdt de IND verder onder andere rekening met het moment waarop de verzoeker om internationale bescherming heeft verzocht.

Van een vreemdeling die verzoekt om internationale bescherming mag verlangd worden dat hij zo spoedig mogelijk dit verzoek indient. Hiervan is in beginsel sprake als het verzoek om internationale bescherming binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Als dit niet binnen 48 uur is gebeurd, vraagt de IND naar de reden hiervan. Als de vreemdeling daar geen goede reden voor heeft, kan dit gevolgen hebben voor de conclusie of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Artikel 4.3.2.5

Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling

Aan het eind van de beoordeling van de verschillende feiten en omstandigheden trekt de IND een conclusie ten aanzien van de geloofwaardigheid per asielmotief. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met bewijsmateriaal en de vreemdeling voldoet niet aan één of meerdere voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, Kwalificatieverordening, is het asielmotief niet geloofwaardig. De IND geeft gemotiveerd aan waarom het asielmotief niet geloofwaardig wordt geacht.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)