Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

3

Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351)

Artikel 3.3.2

Niet-begeleide minderjarigen (artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als de vreemdeling een niet-begeleide minderjarige is, biedt enkel artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening de IND de mogelijkheid om tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat over te gaan. De IND maakt, als wordt voldaan aan de relevante criteria zoals opgenomen in artikelen 23 en 25 Asiel- en migratiebeheerverordening, gebruik van deze mogelijkheid. Dit is in lijn met overweging 53 van de preambule van de Asiel- en migratiebeheerverordening, ter ontmoediging van niet-toegestane verplaatsingen van niet-begeleide minderjarigen.

Als een niet-begeleide minderjarige een gezinslid of een broer of zus in een andere lidstaat heeft, en die zich daar wettig ophoudt, geldt die lidstaat als de verantwoordelijke lidstaat.

Als sprake is van een familielid in een andere lidstaat, en die zich daar wettig ophoudt, dan wordt op basis van individueel onderzoek beoordeeld of dit familielid voor de niet-begeleide minderjarige kan zorgen.

Het is in beide gevallen blijkens het tweede en derde lid van artikel 25 Asiel- en migratiebeheerverordening aan de niet-begeleide minderjarige om aan te tonen dat overdracht niet in zijn belang is.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (1) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 25 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Onder ‘wettig ophouden’ in een andere lidstaat in de zin van artikel 25 van de de Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: (procedureel) rechtmatig verblijf op grond van een ingediende aanvraag voor een verblijfsvergunning, op grond van een verleende verblijfsvergunning in een andere lidstaat, op basis van een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat, of als burger van een lidstaat.

Bij onvoldoende aanwijzingen over de verblijfplaats van gezins- of familieleden van de niet-begeleide minderjarige wijst de IND de minderjarige op hulp die hij kan inroepen bij het traceren van gezins- of familieleden.

Bij ontstentenis van gezinsleden, broers of zussen of familieleden, is de lidstaat waar het verzoek van de niet-begeleide minderjarige voor het eerst is geregistreerd de verantwoordelijke lidstaat, indien dat in het belang van het kind is. De IND zal dit beoordelen en de conclusie(s) duidelijk vermelden in het overdrachtsbesluit.

Als in een voorkomend geval de conclusie is, dat overdracht aan een andere lidstaat niet in het belang van de niet-begeleide minderjarige is, dan neemt de IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Wanneer de IND een verzoek ontvangt tot overname van de aanvraag van een niet-begeleide minderjarige met familieleden in Nederland, voert de Raad voor de Kinderbescherming het individueel onderzoek, genoemd in artikel 25, derde lid van de Verordening, uit waarin wordt vastgesteld of het familielid in Nederland voor de minderjarige vreemdeling kan zorgen.

Artikel 3.3.3

Gezinsleden (artikel 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening)

In de artikelen 26 tot en met 28 Asiel- en migratiebeheerverordening staan regels opgenomen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van een vreemdeling, als deze vreemdeling gezinsleden heeft in een andere lidstaat.

Wie als gezinslid wordt aangemerkt staat opgenomen in artikel 2, aanhef en onder 8, Asiel- en migratiebeheerverordening.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (2) en (3) opgenomen welke directe en indirecte bewijzen in aanmerking kunnen worden genomen voor toepassing van artikel 26 tot en met 28 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het begrip ‘wettig in een lidstaat verblijven’ als bedoeld in artikel 26 wordt door de IND aangesloten bij de letterlijke tekst van het eerste en tweede lid van artikel 26 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voor het vaststellen van de familieband geldt het volgende. Op grond van artikel 7, vierde lid, Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 is voor de toepassing van artikel 25, 26, 27, 28 of 34 van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen formeel bewijsmiddel, zoals originele bewijsstukken en DNA-onderzoek, vereist, als de indirecte bewijzen coherent, verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen bepalen.

Artikel 3.3.4

Diploma’s of andere kwalificaties (artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Onder een diploma of kwalificatie zoals bedoeld in artikel 30 Asiel- en migratiebeheerverordening wordt het volgende verstaan:

Een getuigschrift, diploma of schooldiploma ten bewijze dat een opleiding met goed gevolg is afgerond als bedoeld in de artikelen 2.58, tweede lid, onder a en b, en derde lid, en 2.80, tweede lid, onder a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 7.4.6 en 7.4.11, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 7.11, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, behaald na een studieperiode van ten minste één schooljaar of studiejaar in Nederland dat ten minste gelijkwaardig is aan niveau 2 van de International Standard Classification of Education met uitzondering van onlinecursussen of andere vormen van afstandsleren.

Niveau 2 van de International Standard Classification of Education komt overeen met lager secundair onderwijs, bijvoorbeeld VMBO.

In bijlage 1 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 staat onder (6) opgenomen, met welke directe en indirecte bewijzen diploma’s of andere kwalificaties onderbouwd kunnen worden.

Artikel 3.3.5

Afhankelijke personen (artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Als sprake is van afhankelijkheid zoals omschreven in artikel 34 Asiel- en migratiebeheerverordening, zorgt de IND er normaliter voor dat de vreemdeling kan blijven bij of worden herenigd met de in dit artikel omschreven groep van personen, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de familiebanden al bestonden voordat de vreemdeling aankwam op het grondgebied van de lidstaten. De vreemdeling moet deze afhankelijkheid aantonen, zo veel als mogelijk met objectieve elementen, zoals medische attesten.

Daarbij is in ieder geval vereist dat de vreemdeling of het familielid het vermogen heeft de daadwerkelijke zorg te kunnen en willen verlenen en dat de betrokken personen schriftelijk hebben verklaard dat zij bij elkaar willen blijven of met elkaar herenigd willen worden. De IND betrekt daarbij ook de vraag of deze zorg uitsluitend door de vreemdeling of het familielid kan worden geleverd, of dat deze zorg ook door anderen, zoals professionele zorginstellingen of andere zorg van overheidswege, kan worden geleverd. De persoon in kwestie moet een zodanig unieke positie innemen als zorgverlener dat hij of zij niet of zeer moeilijk door anderen is te vervangen.

Onder ‘wettig verblijven’ in de zin van artikel 34, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening verstaat de IND: het kind, broer of zus, of de ouder van de vreemdeling is in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit verkregen. Voor ‘wettig verblijven in een andere lidstaat’ in de zin van artikel 34, eerste en tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening hanteert de IND gelijke criteria.

De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan hem gedurende een significante tijdsspanne beletten om naar de verantwoordelijke lidstaat te reizen. Op grond van artikel 34, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening kan de lidstaat waar de vreemdeling zich ophoudt hierdoor de verantwoordelijke lidstaat worden. Als significante tijdspanne houdt de IND tenminste een periode van zes maanden aan.

Artikel 3.3.6

Discretionaire clausules (artikel 35 Asiel- en migratiebeheerverordening)

Een lidstaat kan besluiten een verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is de lidstaat er niet toe verplicht. Dit is de discretionaire bevoegdheid die staat in artikel 35, eerste lid, Asiel- en migratiebeheerverordening. De IND maakt in de regel geen gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, tenzij dit naar het oordeel van de IND vanwege proceseconomische redenen aangewezen is.

De IND kan op grond van artikel 35, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen inhoudelijke beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van betekenisvolle banden op basis van familie-, sociale of culturele overwegingen, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De betrokken personen moeten hiermee schriftelijk instemmen.

De IND kan ook een verzoek van een andere lidstaat om de aanvraag over te nemen accepteren, terwijl ze daartoe niet verplicht is. De IND maakt van deze mogelijkheid terughoudend gebruik.

Uit artikel 43, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening volgt dat de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze discretionaire bevoegdheid, geen onderdeel uitmaakt van een rechtsmiddel gericht tegen het overdrachtsbesluit.

Artikel 3.4.1

Algemeen

In de screeningsfase verzamelt de screeningsautoriteit (KMar of IND) informatie op basis waarvan de triage (zie verder paragraaf C1/3 Vc) uitgevoerd gaat worden. Hieruit kan volgen dat (mogelijk) een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming (zie artikel 8, vijfde lid, Screeningsverordening en zie verder paragraaf ‘Screening’ Vc). Dit kan blijken uit het raadplegen van Eurodac en VIS. Het kan ook blijken uit documenten van de vreemdeling en uit verklaringen.

Bij de beoordeling of een andere lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van het verzoek om internationale bescherming onderzoekt de IND of er sprake is van indicaties dat de procedure van de Asiel- en migratiebeheerverordening doorlopen moet worden.

Als tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van een vreemdeling, dan neemt IND zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling.

Artikel 3.4.3

Afzien van persoonlijk onderhoud

In artikel 22, tweede lid, Asiel- en migratiebeheerverordening staan situaties opgenomen, waaronder afgezien kan worden van een persoonlijk onderhoud.

Onder de situatie van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Asiel- en migratiebeheerverordening dat een vreemdeling is ondergedoken wordt mede verstaan de situatie als de verzoeker met onbekende bestemming is vertrokken.

Als de vreemdeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, Asiel- en migratiebeheerverordening, zonder voorafgaande kennisgeving en zonder verschoonbare reden, niet verschijnt voor het persoonlijk onderhoud, dan neemt de IND aan dat de vreemdeling geen bezwaren heeft tegen de overdracht naar het land dat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

De vreemdeling die een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen terwijl hij nog valt onder het bereik van de Asiel- en migratiebeheerverordening dient daarvoor gebruik te maken van het model M35-O. De vreemdeling geeft op het model M35-O aan op grond van welke nieuwe relevante elementen hij een tweede of volgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wil indienen, onderbouwt dit en voegt bewijsmiddelen als bijlage bij.

Op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, Asiel- en migratiebeheerverordening zal er bij een volgende aanvraag geen persoonlijk onderhoud plaatsvinden. De vreemdeling heeft immers bij zijn eerste aanvraag al de relevante informatie als bedoeld in artikel 19 Asiel- en migratiebeheerverordening ontvangen, er is inmiddels al een claimakkoord tot stand is gekomen met de verantwoordelijke lidstaat, en de vreemdeling kan middels de ingevulde M35-O en de eventueel overgelegde bewijsstukken de benodigde informatie verstrekken.

Artikel 3.4.4

Verstrekken nadere informatie

De IND kan de vreemdeling op grond van artikel 17, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bij een overname situatie een aanvullende termijn bieden voor het verstrekken van aanvullende informatie. Dit kan alleen wanneer de vreemdeling niet in staat is deze informatie tijdens het persoonlijk onderhoud te verstrekken en wanneer het gaat om informatie die noodzakelijk is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. De termijn die door de IND wordt geboden is afhankelijk van de resterende termijn voor het indienen van het overnameverzoek en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling.

Artikel 3.6

Rechtsmiddelen

Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, eerste lid, Vw bedraagt de beroepstermijn één week.

De IND schort op grond van artikel 43, derde lid van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en artikel 69, zevende lid, Vw de uitvoering van het overdrachtsbesluit op als de vreemdeling gelijktijdig met een (tijdig ingesteld) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening indient.

Op grond van artikel 69, zevende lid, Vw in combinatie met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, Vw wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit niet opgeschort, als de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend of wanneer het verzoek niet gelijktijdig met het beroep is ingediend.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)