Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

1.1

Algemeen

Artikel 1.1.1

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel voor nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een vluchtelingenstatus staat beschreven in artikel 29c Vw.

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning asiel aan nareizende gezinsleden van vreemdelingen met een subsidiaire beschermingsstatus staat beschreven in artikel 29d Vw. De Gezinsherenigingsrichtlijn is hierop niet van toepassing.

De houder van een verblijfsvergunning asiel die op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘de referent’.

De wettelijke termijn van drie maanden, die in artikel 29c, eerste lid, Vw wordt genoemd, gaat in op de dag na die waarop het besluit voor verlening van de verblijfsvergunning asiel aan de referent bekend is gemaakt. De termijn van drie maanden is veiliggesteld als:

  1. het gezinslid eerder dan de referent Nederland is ingereisd en hier een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend; of

  2. de referent in Nederland of het nareizende gezinslid in het land van herkomst, dan wel het land van bestendig verblijf, binnen de termijn van drie maanden een aanvraag indient voor een mvv.

De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel niet als de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is. Dit is conform artikel 29c, tweede lid, Vw. De IND weigert de afgeleide verblijfsvergunning asiel als er geen objectief verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding.

Bij de beoordeling of de termijnoverschrijding op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is kan onder andere rekening worden gehouden met:

  1. de duur van de termijnoverschrijding;

  2. de inspanningsverplichting van de vreemdeling; en

  3. bijzondere omstandigheden die zien op de termijnoverschrijding.

De wettelijke termijn van drie maanden geldt niet voor nareisaanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 29d Vw. Voor deze aanvragen zijn de in artikel 29d Vw beschreven aanvullende voorwaarden van toepassing. Zie daartoe ook paragraaf C5/1.2 Vc.

Artikel 1.1.2

Bewijsmaterialen

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29c of 29d Vw moet zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk maken door in beginsel in elk geval de volgende documenten te overleggen:

  1. een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

  2. indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

  3. indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouders en eventuele broer(s) en zus(sen) aantoont.

Daarnaast moet de vreemdeling zoveel mogelijk andere bewijsmiddelen overleggen. Als de vreemdeling de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij de reden(en) hiervoor kenbaar maken. Bij deze beoordeling is paragraaf C5/1.3 Vc van overeenkomstige toepassing.

Als de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen, moet hij met aanvullende gegevens en/of met plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk maken dat het gezinslid feitelijk behoort tot zijn gezin.

Bewijswaarde documenten

De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van herkomst zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens (zoals een foto, geboortedata en (achter)namen) van de referent en het gezinslid op het document staan.

Documenten die niet zijn afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten, en documenten met weinig identificerende gegevens, hebben in de regel een zwakkere bewijswaarde.

De IND beziet bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten de manier van afgifte van het document. Daarbij is van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door autoriteiten is opgesteld. De IND houdt hierbij rekening met de persoonlijke omstandigheden van de referent en het gezinslid, en met de administratieve praktijken van het land van herkomst of in het land van herkomst.

Artikel 1.1.3

Nader onderzoek

De IND kan in het kader van de identiteit, familierechtelijke relatie en/of feitelijke gezinsband besluiten nader onderzoek aan te bieden.

Nader onderzoek kan onder andere bestaan uit:

  1. het afnemen van een (identiteits)gehoor bij het gezinslid;

  2. het afnemen van een gehoor bij de referent;

  3. DNA-onderzoek.

De IND kan afzien van het aanbieden van nader onderzoek, als de IND oordeelt dat de identiteit, de familierechtelijke relatie en/of de feitelijke gezinsband voldoende aannemelijk is gemaakt.

Geen onderzoek mogelijk

Als de referent en/of zijn gezinslid om welke reden dan ook niet in de gelegenheid is om gebruik te maken van het aanbod van de IND om nader onderzoek te verrichten, dan zal de IND veelal daardoor de aanvraag op grond van artikel 29c of 29d Vw afwijzen.

Eigen bijdrage DNA-onderzoek

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29c Vw of artikel 29d Vw.

Artikel 1.1.4

De referent is een niet-begeleide minderjarige vreemdeling

Ingevolge artikel 29c, onder c, Vw en artikel 29d, onder c, Vw, kan de vreemdeling die een niet-begeleide minderjarige vreemdeling is als referent optreden.

De IND beschouwt in dit kader een minderjarige in ieder geval als niet-begeleid als:

  1. de minderjarige Nederland is ingereisd zonder begeleiding van een volwassene die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had; of

  2. de minderjarige in Nederland niet onder de verantwoordelijkheid van een volwassene staat die in het land van herkomst of bestendig verblijf de zorg voor de niet-begeleide minderjarige vreemdeling had.

De uitleg van de term ‘minderjarige’ in bovengenoemde definitie is als volgt. Als de referent, met een asielvergunning op grond van artikel 29, Vw, ten tijde van de indiening van een asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, merkt de IND deze vreemdeling aan als minderjarige. Ook al heeft de vreemdeling op het moment van inwilliging de leeftijd van 18 jaar bereikt. Het verzoek voor nareis op grond van artikel 29c Vw ten behoeve van de ouder(s) en minderjarige broers en zussen van deze vreemdeling moet binnen deze drie maanden zijn ingediend. Bij een opvolgende nareisaanvraag merkt de IND de referent, met een asielvergunning op grond van artikel 29 of artikel 29a, Vw, niet meer aan als minderjarige als hij ten tijde van de indiening van de asielaanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, maar inmiddels wel meerderjarig is. De IND beschouwt een minderjarige in ieder geval niet als niet-begeleid in de situaties beschreven in paragraaf B8/6.1 Vc.

Of een volwassene in het land van herkomst of bestendig verblijf al de zorg had voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling kan onder andere blijken uit de wet of het gewoonterecht van dat land van herkomst of bestendig verblijf of als de minderjarige in het land van herkomst of bestendig verblijf langdurig onder de feitelijke zorg en verantwoordelijkheid van deze volwassene is geweest.

Als een minderjarige onder de begeleiding van een volwassene inreist in een lidstaat van de EU (inclusief Nederland) en vervolgens zonder begeleiding wordt achtergelaten, behandelt de IND de minderjarige als een minderjarige die zonder begeleiding van een volwassene Nederland is ingereisd. Uitzondering op deze regel is in ieder geval de situatie waarbij een ouder de minderjarige zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten.

Artikel 1.1.5

Ambtshalve toets artikel 8 EVRM

Als de IND de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29c Vw of artikel 29d Vw weigert, dan kan de IND ambtshalve beoordelen of de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM.

In de volgende gevallen voert de IND in ieder geval geen ambtshalve 8 EVRM beoordeling uit:

  1. er wordt niet voldaan aan de formele vereisten, te weten:

    1. de referent heeft geen verblijfsvergunning asiel op grond van vluchtelingschap of subsidiaire bescherming;

    2. de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is niet binnen drie maanden ingediend en dit is niet verschoonbaar; en

    3. het gezinslid staat niet beschreven in artikel 29c Vw of artikel 29d Vw (m.u.v. ongehuwde partners);

  2. de aanvraag op grond van artikel 29c Vw is enkel ingediend om de drie maanden termijn veilig te stellen;

  3. de gezinsleden zijn niet beschikbaar voor nader onderzoek;

  4. de identiteit en/of familierechtelijke relatie is niet aannemelijk gemaakt;

  5. er bestaat een regulier gezinsmigratiekader voor de desbetreffende categorie.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)