Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

28

Het asielbeleid ten aanzien van de Palestijnse gebieden

Artikel 28.2

De (staatloze) Palestijn uit de Palestijnse Gebieden die kort voor indiening van de asielaanvraag in Nederland daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA

Voor wat betreft de (staatloze) Palestijn die onder het mandaat van de UNRWA valt, is het gestelde in paragraaf C3/3.2.2.1 Vc onder de titel ‘artikel 1D Vluchtelingenverdrag’ van toepassing.

Voor Gaza neemt de IND aan dat UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden.

Voor de Westelijke Jordaanoever neemt de IND aan dat de UNRWA weliswaar aldaar actief is maar dat zij in het algemeen geen daadwerkelijke bescherming en bijstand kan bieden, tenzij er individuele indicaties zijn dat de UNRWA wel voldoende bijstand of bescherming kan bieden aan de (staatloze) Palestijn. Als een (staatloze) Palestijn stelt dat de UNRWA in de Westelijke Jordaanoever niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats als bedoeld in C3/3.2.2.1 Vc.

Artikel 28.3

Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (artikel 13 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op (staatloze) Palestijnen die niet onder het mandaat van de UNRWA vallen en (staatloze) Palestijnen die wel onder het mandaat van de UNRWA vallen maar aan wie artikel 1D niet kan worden tegengeworpen.

Artikel 28.3.1

Groepsvervolging in de zin van paragraaf C3/3.2.3 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.3.2

Risicoprofielen in de zin van paragraaf C3/2.4 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.4

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw (artikel 18 Kwalificatieverordening)

Het beleid in deze paragraaf is van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen, ongeacht of zij onder het mandaat van de UNRWA vallen.

Artikel 28.4.1.1

Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C3/3.3.2.1 Vc

Geen bijzonderheden.

Artikel 28.4.2

Ernstige schade in de zin van artikel 29a, eerste lid, Vw en artikel 15, aanhef en onder c, Kwalificatieverordening, als bedoeld in paragraaf C3/3.3.3 Vc

De IND neemt voor de Palestijnse Gebieden aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld in Gaza.

Artikel 28.5

Bescherming

Het beleid in deze paragraaf is eveneens van toepassing op alle (staatloze) Palestijnen.

Artikel 28.5.1

Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C3/3.4.1 Vc (artikel 7 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat het voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. Dit is alleen anders als uit concrete en individualiseerbare aanknopingspunten blijkt dat het voor de vreemdeling wel mogelijk is om de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. De bewijslast voor het tegenwerpen van de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties ligt in eerste instantie bij de IND.

Artikel 28.5.2

(Binnenlands) beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C3/3.4.2 Vc (artikel 8 Kwalificatieverordening)

De IND neemt aan dat er voor (staatloze) Palestijnen uit de Palestijnse Gebieden geen (binnenlands) beschermingsalternatief aanwezig is. Tenzij uit de individuele zaak blijkt dat er concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vreemdeling zich wel elders binnen de Palestijnse Gebieden kan vestigen. De bewijslast voor het tegenwerpen van een (binnenlands) beschermingsalternatief ligt in eerste instantie bij de IND.

Artikel 28.6

Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

In zijn algemeenheid geldt in de Palestijnse Gebieden dat:

  1. de algemene opvangvoorzieningen voor de opvang van alleenstaande minderjarigen vreemdelingen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  2. de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

In individuele gevallen kan echter uit nader onderzoek blijken dat adequate opvang beschikbaar is en kan worden gerealiseerd.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)