Vreemdelingencirculaire 2000 (C) Actueel

Inhoud

4.2

Uitgangspunten beoordeling asielverzoek

Artikel 4.2.1

Medewerkingsverplichting

De vreemdeling moet zijn asielrelaas aannemelijk maken. De stelplicht en bewijslast liggen bij de vreemdeling. Dat betekent dat van de vreemdeling wordt verwacht dat hij alle relevante elementen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening, die onder andere betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit, herkomst en de asielmotieven zo snel mogelijk naar voren brengt, te weten:

  1. alle relevante documentatie die in het bezit is van de vreemdeling; en

  2. de eigen verklaringen (van de vreemdeling), zoals afgelegd tijdens gehoren en/of schriftelijk ingebracht.

De vreemdeling heeft op grond van artikel 4, eerste lid, Kwalificatieverordening de verplichting volledige medewerking te verlenen aan de IND en andere bevoegde autoriteiten. Het is daarbij aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle relevante feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken zo snel mogelijk naar voren te brengen.

De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld zijn relaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. De IND moet vervolgens de door de vreemdeling verstrekte verzamelde feiten en omstandigheden beoordelen. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid houdt de IND rekening met de individuele situatie en omstandigheden van de verzoeker, zoals bijvoorbeeld achtergrond en geslacht van de vreemdeling (het referentiekader).

Artikel 4.2.2.1

Algemeen

Om het asielverzoek te beoordelen, moet eerst alle relevante informatie verzameld worden. Dit houdt in dat de relevante elementen worden geïdentificeerd en het asielmotief wordt vastgesteld.

Relevante elementen bestaan volgens artikel 4, tweede lid, Kwalificatieverordening uit:

  1. de verklaringen van de verzoeker; en

  2. alle documentatie over zijn:

    1. reden(en) voor het asielverzoek;

    2. leeftijd;

    3. achtergrond (ook die van relevante en andere familieleden);

    4. identiteit;

    5. nationaliteit(en);

    6. land(en) en plaats(en) van eerder verblijf;

    7. eerdere asielverzoeken;

    8. resultaten van een op de verzoeker betrekking hebbende eventuele hervestigingsprocedure of procedure voor toelating op humanitaire gronden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2024/1350;

    9. reisroutes; en

    10. reisdocumenten.

Daarnaast betrekt de IND op grond van artikel 34, tweede lid, Procedureverordening daar waar nodig relevante, nauwkeurige en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst en eerste landen van asiel of veilig derde landen, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de vraag of de vreemdeling na zijn vertrek uit het land van herkomst activiteiten heeft verricht uitsluitend of hoofdzakelijk om een verzoek om internationale bescherming in te dienen en de gevolgen daarvan bij terugkeer, de vraag of in redelijkheid kan worden verlangd dat de vreemdeling de bescherming van een ander land inroept waar hij zich op staatsburgerschap zou kunnen beroepen en wie de actoren van vervolging zijn en of een binnenlands beschermingsalternatief van toepassing is. Tenslotte betrekt de IND informatie met betrekking tot de openbare orde en nationale veiligheid bij de beoordeling. Zie paragraaf C4/3.6 Vc

Artikel 4.2.2.2

Bewijsmaterialen

Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel betrekt de IND alle documenten die zien op de volgende onderdelen:

  1. identiteit;

  2. nationaliteit;

  3. herkomst;

  4. reisroute; en

  5. asielmotief van de vreemdeling.

De IND acht al deze bewijsmaterialen in beginsel relevant voor het beoordelen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel.

Identiteit

Een document met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moet in ieder geval de volgende elementen bevatten:

  1. een goedgelijkende pasfoto;

  2. de geboorteplaats van de vreemdeling; en

  3. de geboortedatum van de vreemdeling.

Een identiteitsdocument kan alleen de identiteit onderbouwen als het authentiek is en op officiële wijze is afgegeven door de bevoegde autoriteiten en in het land van herkomst wordt erkend als identiteitsdocument. Daarnaast is van belang dat het een officieel identiteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de identiteit aan te tonen.

Is er geen sprake van een authentiek identiteitsdocument, dan weegt de IND de verklaringen van de vreemdeling, andere overgelegde documenten en of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst, mee.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

  1. een paspoort; of

  2. een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling uitgegeven document met pasfoto (waarop de vreemdeling herkenbaar is) waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Daarnaast is van belang dat het een officieel nationaliteitsdocument betreft dat in het maatschappelijke verkeer en de contacten met (buitenlandse) autoriteiten wordt gebruikt om de nationaliteit aan te tonen.

Reisroute

Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:

  1. documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland; en

  2. alle andere bewijsmiddelen op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd.

Dit zijn alle bewijsmaterialen die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van de Asiel- en Migratiebeheerverordening en Verordening (EG) nr.1560/2003/EG.

Asielmotief

Onder bewijsmaterialen met betrekking tot het asielmotief verstaat de IND bewijsmaterialen die de verklaringen van de vreemdeling onderbouwen.

Artikel 4.2.2.3

Deskundigenberichten over de situatie in het land van herkomst

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een deskundigenbericht en dus een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst. De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

Het gewicht dat aan de bron of het onderzoek door derden moet worden gegeven, wordt tevens bepaald door het gezag en reputatie van de opsteller van het rapport, de consistentie van de conclusies en evt. bevestigingen door andere bronnen. Ook komt betekenis toe aan de aanwezigheid van de opsteller van het rapport in het betreffende land van herkomst en de mogelijkheden die de opsteller heeft om aldaar onderzoek te doen.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

  1. een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

  2. een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

Artikel 4.2.3

Vaststelling van het asielmotief

Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en bewijsmaterialen die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel).

Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurtenissen en op gedragingen. De aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen zich in het land van herkomst al voor het vertrek hebben voorgedaan, maar ook na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst. Onder gestelde gebeurtenissen worden ook de ‘veronderstellingen’ van de vreemdeling verstaan. Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

Een asielaanvraag kan gebaseerd zijn op meerdere asielmotieven die los van elkaar staan. Het is echter ook mogelijk dat deze asielmotieven tot op zekere hoogte op elkaar doorwerken of met elkaar samenhangen.

De IND houdt bij het vaststellen van het asielmotief zoveel mogelijk vast aan de door de vreemdeling gestelde persoonlijke gegevens en de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Als de vreemdeling een motief tijdens het gehoor niet naar voren heeft gebracht en pas later in de procedure aanvoert, dan moet hij goede redenen aandragen, waarom hij dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Als de redenen die hij aandraagt niet verschoonbaar zijn, dan wordt dit asielmotief in beginsel ongeloofwaardig geacht.

← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)