Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijst, intrekt of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid of met toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, kan er eveneens sprake zijn van een terugkeerbeletsel. De IND beoordeelt altijd of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst:
risico loopt op vervolging, zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a Vw; of
reëel risico loopt op ernstige schade (artikel 3 EVRM), zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid onder b, Vw.
Als sprake is van één van bovengenoemde situaties en er is geen ander land waarnaar de vreemdeling kan terugkeren, neemt de IND geen terugkeerbesluit. De IND neemt dan in het besluit op dat de vreemdeling zelfstandig uit Nederland moet vertrekken, maar niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst. De IND noemt in het besluit geen uiterste vertrektermijn.
Als vanwege een terugkeerbeletsel geen terugkeerbesluit en daarmee geen inreisverbod kan worden gegeven, beoordeelt de IND of een besluit tot signalering kan worden opgelegd. In A4/4 staan de voorwaarden vermeld om wegens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid een besluit tot signalering op te leggen.
Als op een later moment wordt vastgesteld dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging of dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling, neemt de IND een terugkeerbesluit of een besluit waaruit blijkt dat er niet langer sprake is van een terugkeerbeletsel en legt eventueel een besluit tot signalering en/of inreisverbod op. De IND maakt dit besluit kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.