Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Inhoud

Artikel 3.2.2.1

HISTORISCH
Deze versie geldt vanaf 23-04-2026.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vluchteling die onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA) valt. Het mandaat van de UNRWA is van toepassing op vijf gebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de Westelijke Jordaanoever (de Westbank) en de Gazastrook.

Om in aanmerking te komen voor hulp van UNRWA moet een persoon:

  1. voldoen aan de definitie van een Palestijnse vluchteling onder het mandaat van UNRWA; en

  2. in één van deze vijf gebieden aanwezig zijn.

Voor de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt is het reguliere asielbeleid van toepassing.

In twee opeenvolgende stappen beoordeelt de IND of een Palestijnse vluchteling, afkomstig uit één van de vijf UNRWA-mandaatgebieden, wordt uitgesloten van vluchtelingschap. Deze stappen zijn:

  1. de Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en

  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling.

Ad 1

Artikel 1D moet zodanig strikt worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op personen die enkel voor bescherming of bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.

Ook is het van belang te beoordelen of de vreemdeling daadwerkelijk kort voor het indienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA heeft ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.

De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van de vreemdeling bestond.

Voor het aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat de vreemdeling onder de reikwijdte van dat artikel valt.

Ad 2

Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.

Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:

  1. UNRWA kan niet aan het mandaat voldoen: indien er sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het betreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen; en

  2. de vreemdeling is genoodzaakt het mandaatgebied te verlaten: indien er sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten.

De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.

Ad a

De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.

Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.

Ad b

Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.

Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:

  1. op basis van individuele omstandigheden heeft te vrezen voor vervolging;

  2. vreest voor ernstige schade, bijvoorbeeld vanwege een situatie als bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn

Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.

Feitelijke toegankelijkheid

In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.

Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.

Verblijfsvergunning asiel

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw als de vreemdeling:

  1. kort voor het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp heeft ingeroepen (of genoten); en

  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, zoals hierboven vermeld.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:

  1. beschikt over een nationaliteit; en

  2. de bescherming van de eigen autoriteiten in kan roepen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

11-07-2026 Huidig 10-07-2026 Historisch 08-07-2026 Historisch 12-06-2026 Historisch 06-06-2026 Historisch 05-05-2026 Historisch 25-04-2026 Historisch 23-04-2026 Historisch 04-04-2026 Historisch 03-04-2026 Historisch 25-03-2026 Historisch 11-03-2026 Historisch 01-01-2026 Historisch 30-10-2025 Historisch 17-10-2025 Historisch 04-10-2025 Historisch 01-10-2025 Historisch 12-09-2025 Historisch 25-07-2025 Historisch 03-07-2025 Historisch 20-06-2025 Historisch 19-06-2025 Historisch 04-06-2025 Historisch 04-04-2025 Historisch 01-04-2025 Historisch 11-02-2025 Historisch 06-02-2025 Historisch 31-01-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 20-12-2024 Historisch 29-11-2024 Historisch 15-11-2024 Historisch 25-07-2024 Historisch 23-07-2024 Historisch 16-07-2024 Historisch 03-07-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch

Vergelijking met vorige versie

Vergeleken met 01-07-2024

Tekst van deze versie

De IND verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, Vw, als hij onder de reikwijdte van artikel 1D Vluchtelingenverdrag valt. Wel toetst de IND door aan artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is in de huidige praktijk van toepassing op de (staatloze) Palestijnse vreemdelingvluchteling die onder het mandaat van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA) valt. AlsHet deze vreemdeling daadwerkelijk bescherming of bijstand ontvingmandaat van dezede VN-organisatieUNRWA kortis voorvan oftoepassing directop voorafgaandvijf aangebieden: Libanon, Jordanië, Syrië, de indieningWestelijke vanJordaanoever zijn(de asielaanvraag,Westbank) wordt hij uitgesloten van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. Dit vloeit direct voort uiten de werking van het Verdrag. Wel toetst de IND dan nog altijd door aan artikel 29, eerste lid aanhef en onder b, Vw.Gazastrook.

DeOm (staatloze)in Palestijnaanmerking kante onderkomen artikelvoor 1A Vluchtelingenverdrag vallen als zijn vertrek uit het UNRWA-mandaatgebied gerechtvaardigd wordt door redenen buiten zijn invloed en onafhankelijkhulp van zijnUNRWA wilmoet dieeen hem dwingen dat gebied te verlaten. In dit geval zal hij zonder verdere toetsing moeten worden toegelaten als vluchteling. De IND neemt dit onvrijwillig vertrek in twee situaties aan:persoon:

  1. voldoen aan de UNRWAdefinitie isvan opgehoudeneen tePalestijnse bestaanvluchteling inonder het betreffende mandaatgebied of het is voor de UNRWA ten aanzienmandaat van deUNRWA; individuele (staatloze) Palestijn onmogelijk om levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast; en/ofen
  2. erin is sprakeéén van eendeze persoonlijkevijf situatiegebieden vanaanwezig ernstige onveiligheid.zijn.

AdVoor a.de vreemdeling die niet onder het mandaat van UNRWA valt is het reguliere asielbeleid van toepassing.

DeIn UNRWAtwee isopeenvolgende nogstappen altijdbeoordeelt operationeelde inIND haar vijf mandaatgebieden. Alsof een (staatloze)Palestijnse Palestijnvluchteling, steltafkomstig datuit de UNRWA niet de levensomstandigheden kan bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, vindt een individuele beoordeling plaats. Daarbij worden de levensomstandighedenéén van de (staatloze)vijf PalestijnUNRWA-mandaatgebieden, betrokken,wordt zijn hulpvraag aan de UNRWA en de mate waarin de UNRWA in zijn individuele geval desgevraagd bescherming en bijstand heeft verleend. Als er aanknopingspunten zijn dat de UNRWA ten aanzienuitgesloten van devluchtelingschap. individueleDeze (staatloze)stappen Palestijn wél voldoende bijstand of bescherming kon bieden werpt de IND dat tegen en is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing.zijn:

  1. Adde b.Palestijnse vluchteling heeft direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp ingeroepen (of genoten); en
  2. Eende persoonlijkehulp situatieis vanopgehouden ernstigedoor onveiligheidredenen kan voortvloeien uitbuiten de algemeneinvloed veiligheidssituatie,en met name als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15conafhankelijk van de Kwalificatierichtlijn. Van een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid is daarnaast sprake als de (staatloze) Palestijn te vrezen heeft voor vervolging of artikel 3 EVRM risico en de UNRWA hem niet kan beschermen. Daarbij is van belang dat de UNRWA niet beschikt over een veiligheidsapparaat en daarmee niet kan worden aangemerkt als een actor van bescherming in de zin van artikel 7wil van de Kwalificatierichtlijn.vreemdeling.

AlsAd één van de hierboven genoemde situaties zich voordoet in het werkgebied van de UNRWA waar de (staatloze) Palestijn vandaan komt, maar er een concrete mogelijkheid bestaat om toegang te krijgen tot een ander werkgebied van de UNRWA en daar veilig te verblijven, kan de IND artikel 1D alsnog tegenwerpen.1

DeArtikel IND1D oordeeltmoet zodanig strikt worden uitgelegd dat erhet gééngeen sprakebetrekking isheeft vanop opgehoudenpersonen die enkel voor bescherming of bijstand:bijstand van de UNRWA in aanmerking kwamen of komen, maar die niet hebben ingeroepen.

opOok grondis het van hetbelang enkelete feitbeoordelen datof de vreemdeling zichdaadwerkelijk buitenkort voor het mandaatgebiedindienen van de asielaanvraag de bescherming of bijstand van de UNRWA bevindt;heeft of,ingeroepen of genoten. Enkel deze vreemdelingen vallen namelijk onder de reikwijdte van artikel 1D.

De beoordeling of en in hoeverre de vreemdeling bijstand heeft genoten van de UNRWA, is een individuele beoordeling, waarbij relevant is waaruit de bescherming of bijstand van de UNRWA in het individuele geval van vrijwillig vertrek van de (staatloze)vreemdeling Palestijn uit dat gebied.bestond.

DeVoor omstandigheidhet aannemen van eerder genoten (of ingeroepen) bescherming of bijstand, is een registratie bij UNRWA geen vereiste. Het is echter wel een sterke indicatie dat eende (staatloze)vreemdeling Palestijn mogelijk geen toegang kan krijgen totonder de sectorreikwijdte van het werkgebied van de UNRWA waaruit hij eerder is vertrokken, maakt niet dat hijartikel aanspraak kan maken op een vluchtelingenstatus, als er sprake was van vrijwillig vertrek.valt.

DeAd IND past dan de uitsluitingsgrond artikel 1D toe.2

Van belang is of de vreemdeling het mandaatgebied vrijwillig of gedwongen heeft verlaten, maar ook of de omstandigheden inmiddels zijn veranderd.

Er zijn twee situaties denkbaar waarin de bescherming of bijstand beschouwd wordt als opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling:

  1. UNRWA kan niet aan het mandaat voldoen: indien er sprake is van de opheffing van het orgaan dat de bescherming of de bijstand verleent, dan wel sprake is van een situatie waarin het betreffende orgaan in de onmogelijkheid verkeert zijn opdracht te volbrengen; en
  2. de vreemdeling is genoodzaakt het mandaatgebied te verlaten: indien er sprake is van omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten.

De beoordeling betreft een ex-nunc onderzoek. Er kan dus niet volstaan worden met een beoordeling van de situatie bij vertrek uit het land van gebruikelijk verblijf.

Ad a

De beoordeling of UNRWA aan het mandaat kan voldoen, is in beginsel een individuele. De bescherming of bijstand moet met name worden geacht te zijn opgehouden wanneer de UNRWA niet in staat is een specifieke verzoeker waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, rekening houdend met eventuele kwetsbaarheden. Daarbij moet worden gedacht aan levensomstandigheden die de vreemdeling niet garanderen dat, overeenkomstig de opdracht van de UNRWA, wordt voldaan aan basisbehoeften op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en levensonderhoud.

Daarnaast is de situatie denkbaar dat de UNRWA aan geen enkele (staatloze) Palestijnse menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheid kan garanderen. Dit is aan de orde als in het betreffende werkgebied elke staatloze Palestijn terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte.

Het is in beginsel aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij de door hem ontvangen bescherming of bijstand die hij eerder heeft ontvangen, niet opnieuw kan inroepen.

Ad b

Het gaat hier primair om de vraag of de vreemdeling het gebied vrijwillig heeft verlaten. Als de vreemdeling niet buiten zijn wil gedwongen is geweest het gebied te verlaten, is niet aannemelijk dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling.

Van gedwongen vertrek kan onder andere sprake zijn als de vreemdeling:

  1. op basis van individuele omstandigheden heeft te vrezen voor vervolging;
  2. vreest voor ernstige schade, bijvoorbeeld vanwege een situatie als bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn

Ook als er na vertrek uit het land van herkomst omstandigheden zijn ontstaan waardoor de vreemdeling zich niet naar het mandaatgebied kan begeven, kan aangenomen worden dat de bescherming of bijstand is opgehouden buiten de invloed van de vreemdeling. In het geval van vrijwillig vertrek is het aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken.

Als sprake is van onvrijwillig vertrek maar nadien zijn de levensomstandigheden in het betreffende mandaatgebied verbeterd, dan kan dat ook bij de beoordeling worden betrokken. Dat kan (alsnog) leiden tot uitsluiting op grond van artikel 1D van het Verdrag. De bewijslast ligt bij de IND.

Feitelijke toegankelijkheid

In het kader van de toepassing van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag hoeft de IND, bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet te beoordelen of de vreemdeling toegang kan krijgen tot het UNRWA-gebied waar hij eerder heeft verbleven.

Bij de vraag of de vreemdeling bescherming of bijstand van UNRWA kan krijgen in een ander mandaatgebied dan het mandaatgebied waar hij zijn werkelijke verblijfplaats had, speelt de feitelijke toegankelijkheid wel een rol. Als de vreemdeling niet wordt toegelaten tot het andere mandaatgebied, kan hem niet tegengeworpen worden dat hij daar de bescherming of bijstand van UNRWA kan inroepen.

Verblijfsvergunning asiel

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw als de vreemdeling:

  1. kort voor het indienen van de asielaanvraag daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp heeft ingeroepen (of genoten); en
  2. de hulp is opgehouden door redenen buiten de invloed en onafhankelijk van de wil van de vreemdeling, zoals hierboven vermeld.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel, als de vreemdeling:

  1. beschikt over een nationaliteit; en
  2. de bescherming van de eigen autoriteiten in kan roepen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de (staatloze) Palestijnse vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in de uitsluitingsgrond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Vreemdelingencirculaire 2000 (C)