Indien een meisje in haar land van herkomst een risico loopt op genitale verminking, kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Vorenstaande kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking.
De ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Het spreekt voor zich dat de ouder alleen voor een dergelijke vergunning in aanmerking kan komen, indien de dochter in het bezit wordt gesteld van de hier bedoelde verblijfsvergunning asiel. Bovendien dient de ouder tegelijkertijd met de dochter Nederland te zijn ingereisd dan wel dient de dochter in Nederland te zijn geboren. Indien de ouder Nederland is ingereisd, nadat de dochter reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, dan is het reguliere toelatingsbeleid van toepassing.
Andere familieleden dan de ouder(s) komen niet voor inwilliging op grond van bovenstaand beleid in aanmerking. Kinderen uit het gezin, die zelf niet bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eventueel wel onder de toepasselijke voorwaarden op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.