In de gevallen waarin de asielzoeker zich naar het oordeel van de Minister bevond in een situatie die feitelijk gelijk was aan die als bedoeld in artikel 64 Vw, maar ten aanzien van wie de Minister nu oordeelt dat deze situatie is geëindigd, eindigt de opvang op grond van artikel 7, eerste lid, onder e, Rva op de dag na de dag waarop naar het oordeel van de Minister niet langer sprake is van feitelijk dezelfde situatie, als bedoeld in artikel 64 Vw.
Bepalend voor het beëindigen van de opvangvoorzieningen is de in het model M54 opgegeven einddatum. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij, na het verstrijken van de in het model aangegeven periode, nog immer in de analoge situatie van artikel 64 Vw verkeert.
Het kan voorkomen dat een vreemdeling, die op grond van artikel 3, derde lid, onder g, Rva tot de opvang is toegelaten, uitgeprocedeerd raakt, terwijl de periode waarvoor toepassing is gegeven aan de analoge situatie van artikel 64 Vw nog niet is verstreken. In die gevallen heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw en eindigt de opvang als hiervoor omschreven in C23/3.3.5.
Voorts geldt ook hier dat in die gevallen waarin aan de beëindiging van de verstrekkingen niet een beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw ten grondslag ligt, het COA op grond van de zelfstandige bestuursrechtelijke beslissingsbevoegdheid beschikt dat de verstrekkingen ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel e, Rva worden beëindigd.