Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.
Ook hier gaat het om bedrog van de zijde van de asielzoeker, waarvoor dezelfde redenering geldt als aangegeven in C14/3.
Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.