Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.
Op grond van artikel 37, onder c, Vw en artikel 3.114 Vb dient de vreemdeling alle relevante documenten te overleggen.
Het toerekenbaar ontbreken van documenten moet in de context van het totale feitencomplex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan.
Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.
De toetsing aan artikel 31, tweede lid, onder f, Vw vindt plaats aan de hand van de volgende drie vragen:
Welke voor de beoordeling van de asielaanvraag noodzakelijke documenten ontbreken?
Is het aannemelijk dat het ontbreken van die documenten niet aan de asielzoeker is toe te rekenen?
Heeft de asielzoeker mede vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten niet aannemelijk kunnen maken dat zijn asielaanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen? Zo ja: met inachtneming van de hierna volgende paragrafen wordt artikel 31, tweede lid, onder f, Vw toegepast.
De manier waarop deze vragen moeten worden beantwoord, wordt toegelicht in C4/3.6.2, C4/3.6.3 en C4/3.6.4.