Indien de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de mensenrechtenverdragen die worden genoemd in artikel 30, onder d, Vw en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het land van herkomst ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. De hier bedoelde landen worden beschouwd als veilige landen van herkomst en om deze reden bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat in het betrokken land geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b en c, Vw.
In het kader van deze bepaling is dus geen sprake van een lijst van veilige landen, maar van een systeem waarbij het gaat om landen die de bedoelde verdragen hebben onderschreven en het ook aannemelijk is dat die landen de verdragen nakomen.
Aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet naleeft, wordt artikel 31, eerste lid, onder g, Vw niet tegengeworpen. Hierbij wordt gedacht aan landen waarop artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (categoriale bescherming, zie C2/5) of een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw (zie C19) van toepassing is en landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden.
Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort gehandhaafd worden. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit zo’n land zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.
Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele asielzoeker zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de asielzoeker het uitgangspunt. De asielzoeker moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij vandaan komt.
De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de asielzoeker. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door de IND bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft.