Op grond van artikel 3.105 Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend voor de duur van vijf jaar. Het Vb wijst vooralsnog geen gevallen aan waarin de geldigheidsduur korter dan vijf jaar is (voor de ingangsdatum zie C21/1.1).
Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden.
Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet (zie C7 en C16).