Voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet wordt verwezen naar het beleid van C1/4.2.12 inzake vervolging wegens dienstweigering.
Daarbij is het volgende van belang.
Ten aanzien van Eritrea heeft zich niet de situatie voorgedaan dat militaire acties in totaliteit door de internationale gemeenschap zijn veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen voor humaan gedrag of met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.
De beoordeling of er sprake is van een onevenredige of discriminatoire bestraffing dient niet (enkel) plaats te vinden aan de hand van de theoretische strafmaten, maar met inachtneming van de in het algemeen ambtsbericht genoemde specifieke omstandigheden van betrokkene.
In het geval van dienstweigeraars en dienstplichtontduikers geldt dat zij in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vreemdelingenwet, indien zij aannemelijk maken dat zij op grond van hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Ook hier geldt dat contra-indicaties in voorkomende gevallen in de weg kunnen staan aan verlening van een vergunning, maar niet aan uitzetting naar het land van herkomst.
Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat men wordt geacht zich na het voltooien van de middelbare school te melden voor de nationale dienstplicht. Uit het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 komt naar voren dat dienstweigeraars en dienstplichtontduikers worden opgespoord door de (militaire) politie door middel van documentcontroles, die bij onder meer huiszoekingen en wegversperringen worden uitgevoerd. Daarbij wordt gezocht naar personen in de dienstplichtige leeftijd die hun nationale dienstplicht nog niet geheel hadden vervuld en of geen gehoor aan de oproepen hadden gegeven en die niet konden aantonen vrijstelling of uitstel te hebben.
In het algemeen ambtsbericht van 23 maart 2005 is voorts opgenomen dat geen gedwongen rekrutering zou plaatsvinden van moslimvrouwen uit de regio’s aan de Rode Zee-kust. Meer in het algemeen maakt voornoemd algemeen ambtsbericht melding van bronnen die aangeven dat in de praktijk alleen vrouwen in de leeftijd tussen 18 en 27 jaar dienstplichtig zijn. Dit biedt op zichzelf onvoldoende aanknopingspunten om vrouwen die boven deze leeftijd Eritrea hebben verlaten en die aannemelijk hebben gemaakt dat zij op grond van hun dienstweigering of -ontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, een vergunning te weigeren. Wel dient specifiek aandacht te worden besteed aan de verklaringen van betrokkene op dit punt.
Er dient sprake te zijn van een aannemelijk beroep op dienstweigering dan wel dienstplichtontduiking. In het nader gehoor dient aandacht te worden besteed aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van betrokkene dat hij een dienstweigeraar dan wel dienstplichtontduiker is. Ook dient te worden bezien of betrokkene in aanmerking komt voor ontheffing dan wel of hij reeds militaire dienst heeft vervuld. Indien betrokkene gedurende zijn dienstplichtige leeftijd lange tijd in Eritrea heeft verbleven zonder te worden opgeroepen, dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de vraag of de dienstplicht niet reeds is vervuld. Een lang verblijf in Eritrea zonder te worden opgeroepen is op zichzelf onvoldoende om tot afwijzing van de aanvraag over te gaan en dient te worden bezien in samenhang met de overige verklaringen van betrokkene.