Op grond van artikel 11, derde lid, Rva wordt in de mate van het mogelijke, met instemming van de asielzoeker, de eenheid van het gezin gehandhaafd bij huisvesting. Uitgangspunt bij plaatsing in de opvang is bescherming van het gezinsleven.
Artikel 11, vierde lid, Rva geeft aan dat, op voorwaarde dat dit in het belang is van het kind, het COA erop toeziet dat minderjarige kinderen van asielzoekers of minderjarige vreemdelingen worden gehuisvest bij hun ouders of een volwassen familielid. Dit houdt tevens in dat de minderjarige vreemdeling die wordt begeleid door een volwassene die niet zijn ouder of wettelijk voogd is, niet in alle gevallen in een Amv-voorziening geplaatst hoeft te worden. Wel wordt de minderjarige in de vreemdelingrechtelijke procedure als Amv behandeld (zie B14/2.2.2). Hierbij moet per geval besloten worden over de plaatsing waarbij het belang van het kind leidend is.
Minderjarige broers en zussen worden op grond van artikel 11, vijfde lid, Rva, voor zover mogelijk bij elkaar gehuisvest.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het zoveel mogelijk gezamenlijk huisvesten van familieleden er niet aan in de weg staat dat na het eindigen van de verstrekkingen eventueel tot gescheiden uitzetting of ontruiming wordt overgegaan. Immers, naar vaste jurisprudentie staat noch artikel 8 EVRM, noch het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind aan het eindigen van de opvang in de weg.