In gevallen waarin de asielzoeker individuele klemmende redenen van humanitaire aard aanvoert die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, kunnen die op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het dient hierbij te gaan om dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. Humanitaire redenen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, kunnen niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw.
De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bijvoorbeeld een hoge leeftijd of lichamelijke klachten heeft, is onvoldoende reden om aan te nemen dat terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ook de algemene humanitaire omstandigheden in het land van herkomst – zoals de omstandigheid dat het niveau van de beschikbare basisvoorzieningen naar Nederlandse maatstaven te wensen overlaat – kunnen geen reden zijn voor verlening van de verblijfsvergunning.
Een bijzondere situatie is het geval dat de vreemdeling afkomstig is uit een gebied ten aanzien waarvan is bepaald dat dit in beginsel categoriaal beschermingswaardig is, maar waarvoor dit categoriaal beschermingsbeleid niet wordt gevoerd omdat er in een ander deel van dat land een verblijfsalternatief is.
Ten aanzien van de voorwaarde dat de klemmende redenen verband dienen te houden met het vertrek uit het land van herkomst betekent deze situatie het volgende.
Een verblijfsalternatief wordt tegengeworpen omdat het beleid ervan uitgaat dat de betreffende vreemdeling zich naar het verblijfsalternatief had moeten begeven. Daar had hij zich immers kunnen onttrekken aan de algemene onveiligheid die in het categoriaal beschermingswaardige deel van het land heerst. Ten tijde van het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel zouden er evenwel klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig kunnen zijn die er toe hebben geleid dat de vreemdeling niet naar het verblijfsalternatief kon gaan. Deze kunnen van een geheel andere aard zijn dan de redenen die hebben geleid tot het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel. Echter, in beide ligt wel de reden dat de vreemdeling niet alleen het categoriaal beschermingswaardige deel verliet, maar ook dat hij niet naar het verblijfsalternatief is gegaan. Hiermee is dan dus het verband gelegd met het vertrek uit het land van herkomst.
Van belang is dus dat de twee verschillende componenten, de redenen van vertrek uit categoriaal beschermingswaardige deel en de klemmende redenen van humanitaire aard die reden waren niet naar het verblijfsalternatief te gaan, in samenhang moeten worden gezien als redenen van vertrek uit het land van herkomst. Hiermee is dan direct ook gezegd dat klemmende redenen van humanitaire aard die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, niet binnen dit beleidskader vallen.
De beoordeling of de asielzoeker wegens individuele klemmende humanitaire redenen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel vindt pas plaats nadat is vastgesteld dat de vreemdeling niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw of het hierboven beschreven traumatabeleid in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.
Daarnaast wordt, in het geval bij de beoordeling in het kader van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw is geoordeeld dat er voor de vreemdeling een verblijfsalternatief aanwezig wordt geacht, alsnog beoordeeld of er, conform het hierboven gestelde, gronden bestaan op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw een verblijfsvergunning te verlenen. De bewijslast hiervoor ligt bij de asielzoeker. Daarbij is de omstandigheid dat de asielzoeker geen banden heeft met het betreffende gebied of er nooit heeft verbleven op zichzelf geen reden voor verblijfsaanvaarding.