Bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van een beleid van categoriale bescherming worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd.
Op de eerste plaats geldt dat er een algemeen onderzoek naar de situatie in het land van herkomst wordt ingesteld, waarbij feiten en omstandigheden in en ten aanzien van het land van herkomst worden meegewogen die niet altijd van belang zijn voor de beoordeling van een individuele aanvraag om toelating als vluchteling dan wel om klemmende redenen van humanitaire aard.
Op de tweede plaats geldt dat elke nieuwe beslissing wordt gebaseerd op nieuwe informatie over de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie of op een gewijzigd beleidsinzicht.
Op de derde plaats geldt dat de belangrijkste bron van informatie op dit punt de ambtsberichten van de Minister van BuZa zijn; deze geven de visie weer van de Regering op de situatie in landen van herkomst. De Minister van BuZa is hiervoor politiek verantwoordelijk.
Op de vierde plaats geldt dat de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, ook altijd in een bredere context wordt bezien. Niet elke situatie waarin op grond van bijvoorbeeld recente ontwikkelingen in het land van herkomst tijdelijk van uitzetting wordt afgezien rechtvaardigt de conclusie dat een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. In situaties waarin bijvoorbeeld in afwachting van een nader onderzoek, een uitspraak van de rechter of een ambtsbericht, aanhouding is geboden, is veeleer een besluit- en/of vertrekmoratorium opportuun (zie C19 en C22/6).