asielzoekers die voor 1 december 1995 een asielaanvraag hebben ingediend;
asielzoekers die in de periode 1 december 1995 tot en met 31 mei 1997 een asielaanvraag hebben ingediend;
asielzoekers die na 31 mei 1997 een asielaanvraag hebben ingediend.
Bosnische asielzoekers die voor 1 december 1995 een asielaanvraag hebben ingediend, komen, behoudens contra-indicaties, in aanmerking voor verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet op grond van het bijzondere beleid zoals dat tot 1 december 1995 heeft gegolden voor asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina. Dit betreft een zogenaamde beleidsmatige toelating op grond van het consistentiebeginsel. Indien de asielzoeker een inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd, kan een verblijfsvergunning asiel worden geweigerd op grond van het gestelde in C1/5.13.
Vanaf 1 december 1995 tot en met 31 mei 1997 is aan asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina conform de oude vreemdelingenwet een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. In zijn brief van 27 mei 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 1997 geen vvtv meer zal verlenen aan asielzoekers uit Bosnië-Herzegovina. Op basis hiervan is TBV 1998/12 gepubliceerd. Dit beleid is genuanceerd in de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 25 maart 1998. Dit leidt tot de conclusie dat aan asielzoekers aan wie voor 31 mei 1997 een vvtv is verleend, welke nimmer is ingetrokken omdat betrokkene niet tot de categorie behoorde van wie de vvtv werd ingetrokken, inmiddels verblijf is toegestaan. De periode waarin de vreemdeling in het bezit is geweest van een vvtv dient niet te worden meegerekend als relevant tijdsverloop.
Voor asielzoekers die na 31 mei 1997 een asielaanvraag hebben ingediend, gelden geen perioden die moeten worden meegerekend als relevant tijdsverloop.