De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, feitelijk te behoren tot het gezin van de degene bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan.
De kinderen behoren niet langer feitelijk tot het gezin en worden niet langer als afhankelijk van de hoofdpersoon beschouwd, indien de gezinsband als (feitelijk) verbroken kan worden beschouwd (zie ook B2).
Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:
duurzame opneming in een ander gezin en de hoofdpersoon is niet meer belast met het gezag;
een duurzame opneming in een ander gezin en de hoofdpersoon voorziet niet meer in de kosten en de opvoeding;
het zelfstandig gaan wonen en in eigen onderhoud voorzien;
het vormen van een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;
het belast zijn met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.
De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband of de afhankelijkheidsrelatie tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt (zie ook C12/6).