Indien de asielzoeker een gezinslid is van een houder van een verblijfsvergunning asiel en verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw, kan er sprake zijn van twijfel aan de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen. Om de identiteit en de familierechtelijke relaties van betrokkenen te kunnen vaststellen, dienen in beginsel de volgende (originele) documenten te worden overgelegd.
een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit aantoont;
officiële documenten die het bestaan van een geldig huwelijk aantonen;
officiële documenten die het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de minderjarige kinderen en de ouder(s) aantonen;
documenten die gezamenlijk het partnerschap en het samenwonen in het land van herkomst aantonen.
Indien de betrokken vreemdeling of het gezinslid de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, dient de vreemdeling of het gezinslid aannemelijk te maken dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen. Bij de beoordeling hiervan is van belang dat:
de verklaringen omtrent het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig zijn; en
dat deze verklaringen overeenkomen met hetgeen overigens bekend is ten aanzien van de situatie in het land van herkomst met betrekking tot (het verkrijgen van) documenten.
Indien de betrokken vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet is toe te rekenen dat de vereiste documenten niet zijn overgelegd in de zin van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw, kan de aanvraag worden afgewezen.
Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdeling(en), dan dienen de identiteit en de familierelatie op andere wijze aannemelijk te worden gemaakt. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast primair bij de betrokken vreemdeling(en) ligt.
Indien er wordt vastgesteld dat er sprake is van bewijsnood voor betrokken vreemdeling(en) en dat het ontbreken van documenten betrokkene (n) niet aan te rekenen is en er voorts sprake is van uit beide ouders of uit één van beide ouders geboren kind(eren), dan worden betrokkene(n) door de IND gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. Voor een beschrijving van het DNA-onderzoek wordt verwezen naar B2/8.6.
Als de familierelatie tussen ouder(s) en kind(eren) niet met documenten kan worden aangetoond, maar het DNA-onderzoek de biologische afstammingsrelatie bevestigt, wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning dan wel de aanvraag om een mvv, ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
In het geval dat er geen (originele) documenten zijn overgelegd en de houder van de verblijfsvergunning asiel (referent) eerder desgevraagd de familierelatie niet heeft gemeld of de relatie heeft ontkend, is de familierechtelijke relatie tussen ouder(s) en kind(eren) niet aannemelijk geworden en wordt de aanvraag afgewezen. DNA-onderzoek is dan niet aan de orde. Uiteraard moet het departementale dossier wel voldoende informatie bevatten om het bestaan van de beweerde gezinsband en/of de identiteit al op die grond in twijfel te trekken.