Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb.
Algemeen uitgangspunt is dat ambtshalve toetsing aan reguliere verblijfsdoelen slechts plaatsvindt in het kader van eerste aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel.
Bij een tweede of volgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND daarom niet ambtshalve of op verzoek aan:
artikel 3.6a Vb;
artikel 3.6b Vb; en
of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.
Bij intrekking van een verblijfsvergunning asiel toetst de IND evenmin ambtshalve of op verzoek of aanleiding bestaat gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 14, eerste lid, Vw.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid, onder a, Vb (uitzetting in strijd met artikel 8 EVRM), past de IND paragraaf B7/3.8 Vc (8 EVRM) overeenkomstig toe.
Bij de ambtshalve beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.6a, eerste lid onder b, Vb, past de IND paragraaf B8/3.1 Vc onder het kopje Ambtshalve verlening in de asielprocedure toe.
Voor zover daar op grond van artikel 3.6ba Vb en paragraaf B11/2.5 Vc aanleiding toe bestaat, beoordeelt de IND bij een eerste asielaanvraag of er op grond van artikel 3.6ba Vb aanleiding bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen.
Voor wat betreft de ambtshalve toets op grond van artikel 6.1e Vb wordt verwezen naar paragraaf A3/7.2.3 Vc.
De IND laat de ambtshalve toets als bedoeld in artikel 3.6a Vb achterwege, wanneer aan de vreemdeling al eerder een zwaar inreisverbod (artikel 66a, zevende lid, Vw) of een ongewenstverklaring is opgelegd of wanneer met de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel een zwaar inreisverbod of ongewenstverklaring wordt opgelegd.
Als de IND de asielaanvraag van een niet-begeleide minderjarige afwijst, beoordeelt de IND ambtshalve of de niet-begeleide minderjarige in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning zoals bedoeld in paragraaf B8/6 Vc.