Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 11

Enige algemene voorzieningen

Artikel 1.11.1

In deze titel wordt verstaan onder:

  1. herstelrecht: het in staat stellen van het slachtoffer en de verdachte of de veroordeelde, indien zij daarmee instemmen, actief deel te nemen aan een proces dat gericht is op het oplossen van de gevolgen van een strafbaar feit, met de hulp van een onpartijdige derde;

  2. mediation: de bemiddeling in een strafzaak tussen verdachte en slachtoffer onder begeleiding van een mediator, waarmee herstel wordt beoogd en waarbij afspraken voor herstel kunnen worden vastgelegd in een overeenkomst, waarmee de officier van justitie en de rechter rekening houden bij de behandeling van de strafzaak.

Artikel 1.11.2

  1. De officier van justitie bevordert dat de betrokken opsporingsambtenaar in een zo vroeg mogelijk stadium het slachtoffer en de verdachte mededeling doet van de mogelijkheden tot herstelrechtvoorzieningen, waaronder mediation en andere vormen van herstelrecht.

  2. De officier van justitie bevordert herstelrecht tussen het slachtoffer en de verdachte of veroordeelde.

  3. De officier van justitie en de rechter kunnen de zaak ambtshalve of op verzoek van de verdachte of het slachtoffer verwijzen ten behoeve van mediation.

  4. Het verzoek wordt voor aanvang van de berechting gericht tot de officier van justitie en na aanvang daarvan tot de rechter.

  5. Bij de beoordeling of de zaak moet worden verwezen ten behoeve van mediation vergewist de officier van justitie of de rechter zich ervan dat mediation de instemming heeft van het slachtoffer en de verdachte, alsook dat de verdachte de feiten die aan de zaak ten grondslag liggen heeft erkend.

  6. Bij toewijzing van het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt de zaak verwezen ten behoeve van mediation. De beslissing op het verzoek wordt ter kennis van het slachtoffer en de verdachte gebracht. Een afwijzing van het verzoek is gemotiveerd.

  7. Indien mediation tot een overeenkomst tussen het slachtoffer en de verdachte heeft geleid, houden de officier van justitie en de rechter hiermee rekening bij de behandeling of afdoening van de zaak.

  8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over herstelrechtvoorzieningen, waaronder mediation en andere vormen van herstelrecht, met inbegrip van de voorwaarden en procedures.

Artikel 1.11.3

  1. Het horen, verhoren of ondervragen van een persoon dan wel het bijwonen van een verhoor of zitting kan plaatsvinden per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt tussen de betrokken personen.

  2. De opsporingsambtenaar die met het horen, verhoren of ondervragen van een persoon is belast, kan beslissen dat bij het verhoor of de ondervraging van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Daarbij neemt hij een verzoek daartoe van de betrokken persoon en het belang van het onderzoek in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon in de gelegenheid zijn mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.

  3. De rechter die met het horen, verhoren of ondervragen of met het onderzoek op de zitting is belast, kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de te horen, verhoren of te ondervragen persoon beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt. Hij neemt daarbij het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak in aanmerking. Alvorens te beslissen, stelt hij de te horen, verhoren of te ondervragen persoon, de officier van justitie, de verdachte of de veroordeelde en de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen in de gelegenheid hun mening over de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.

Artikel 1.11.4

  1. In afwijking van artikel 1.11.3 kan slechts met instemming van de verdachte gebruik worden gemaakt van videoconferentie:

    1. voor zijn verhoor bij de behandeling van de vordering tot bewaring door de rechter-commissaris;

    2. voor zijn berechting.

  2. Indien de te horen, verhoren of te ondervragen persoon een auditieve of visuele handicap heeft, wordt geen gebruik gemaakt van videoconferentie indien redelijkerwijs kan worden verondersteld dat dit afbreuk doet aan zijn inbreng of positie in het strafproces, dan wel aan de rechten van andere procesdeelnemers.

  3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de rechter beslissen dat van videoconferentie gebruik wordt gemaakt indien dat dringend noodzakelijk is in het bijzondere belang van de beveiliging van het verhoor of de zitting of van het vervoer naar of van de zitting.

  4. Indien de verdachte zich bevindt in een extra beveiligde inrichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, van de Penitentiaire beginselenwet, wordt gebruik gemaakt van videoconferentie, tenzij de rechter de aanwezigheid van de verdachte in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht.

  5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing indien de verdachte zich bevindt in een afdeling voor intensief toezicht als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Penitentiaire beginselenwet en bij het vervoer van de verdachte sprake is van een hoog veiligheidsrisico.

Artikel 1.11.5

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

    1. de eisen waaraan de techniek van videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de integriteit en authenticiteit van vastgelegde gegevens;

    2. de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van deze titel.

Artikel 1.11.6

  1. Indien tijdens het contact met een procesdeelnemer blijkt dat deze de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de verhorende ambtenaar de bijstand van een tolk inroepen.

  2. De procesdeelnemer die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan ten behoeve van zijn betrokkenheid in een zaak verzoeken om bijstand van een tolk.

  3. De bijstand van een tolk wordt vastgelegd in het proces-verbaal van het verhoor of van de zitting.

  4. Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de procesdeelnemer die niet of slechts zeer gebrekkig kan horen, zien of spreken. Voor deze procesdeelnemer kan een beroep worden gedaan op bijstand van een persoon die geschikt is om voor hem te vertolken.

  5. Indien een procesdeelnemer niet of slechts zeer gebrekkig kan spreken, wordt hij bijgestaan door een tolk of kan de procesdeelnemer zich schriftelijk uiten.

Artikel 1.11.7 (Recht op vertolking)

  1. Voor de verdachte of veroordeelde die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst wordt de bijstand van een tolk ingeroepen:

    1. indien hij wordt gehoord of verhoord of aanwezig is bij een verhoor;

    2. bij overleg met zijn raadsman;

    3. indien hij is opgeroepen voor een zitting.

  2. Voor het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst wordt de bijstand van een tolk ingeroepen:

    1. voor het mondeling doen van aangifte;

    2. indien hij wordt gehoord of verhoord als getuige;

    3. indien hij is opgeroepen voor een zitting.

  3. Indien een getuige of deskundige wordt gehoord of verhoord die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst, kan de bijstand van een tolk worden ingeroepen.

  4. Voor het onderzoek van de zaak in raadkamer wordt voor de betrokken procespartij die de Nederlandse taal niet of niet voldoende beheerst de bijstand van een tolk ingeroepen.

Artikel 1.11.8

  1. Tenzij de wet anders bepaalt, is met oproeping van de tolk, indien daarom is verzocht of indien de noodzaak daartoe is gebleken, belast:

    voor het mondeling doen van aangifte, het horen of verhoren door de opsporingsambtenaar: de opsporingsambtenaar;

    voor het overleg van de raadsman met de verdachte: zijn raadsman;

    voor het verhoor door de rechter-commissaris: de rechter-commissaris;

    voor het verhoor door de raadsheer-commissaris: de raadsheer-commissaris;

    voor de zitting: het openbaar ministerie ambtshalve of in opdracht van het gerecht.

  2. De opsporingsambtenaar, de raadsman, de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris kunnen de tolk mondeling oproepen. Het openbaar ministerie zendt de oproeping toe.

  3. Indien de bijstand van een tolk wordt ingeroepen en deze geen beëdigde tolk in de zin van de Wet beëdigde tolken en vertalers is, beëdigt de rechter-commissaris, de raadsheer-commissaris of de rechter de tolk voordat deze zijn werkzaamheden aanvangt dat hij zijn taak naar zijn geweten zal vervullen.

Artikel 1.11.9

  1. Het openbaar ministerie en de rechter, zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, kunnen, al dan niet op verzoek van de verdachte, aan een reclasseringsinstelling die overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels is erkend, opdracht verlenen tot het opmaken van een reclasseringsadvies.

  2. De reclasseringsinstelling waaraan de opdracht is verleend, stelt de identiteit van de verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid, tenzij de opdracht in een inrichting wordt uitgevoerd.

Artikel 1.11.10

  1. De rechter of ambtenaar die met de leiding van ambtsverrichtingen is belast, draagt zorg voor de handhaving van de orde bij gelegenheid van die verrichtingen.

  2. De rechter of ambtenaar neemt de maatregelen die nodig zijn om de ambtsverrichtingen ongestoord te laten plaatsvinden.

  3. De rechter of ambtenaar kan degene die de orde verstoort of de ambtsverrichtingen op enigerlei wijze hindert, na hem te hebben gewaarschuwd, bevelen dat hij zal vertrekken en, bij weigering, hem doen verwijderen en zo nodig tot de afloop van de ambtsverrichtingen in verzekering doen stellen.

  4. De maatregelen genoemd in het tweede en derde lid worden vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting of een proces-verbaal dat bij de processtukken wordt gevoegd.

  5. Met de uitvoering van de maatregelen zijn belast ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en andere ambtenaren of functionarissen die door Onze Minister zijn aangewezen. Deze ambtenaren of functionarissen nemen de aanwijzingen in acht van de rechter of de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering