Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 6

Herstelbeslissingen

Artikel 4.6.1

  1. De rechtbank verbetert op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of ambtshalve een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout in haar vonnis die zich voor eenvoudig herstel leent, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  2. De rechtbank verbetert op verzoek van de benadeelde partij een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.

  3. De rechtbank gaat niet tot de verbetering over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Indien de verbetering de beslissing op haar vordering betreft, wordt de benadeelde partij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Deze gelegenheid behoeft niet te worden geboden als een procespartij door het ontbreken daarvan niet in haar belangen wordt geschaad.

  4. In het vonnis wordt vermeld op welk vonnis de verbetering betrekking heeft. De verbetering wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De artikelen 4.3.20, eerste en tweede lid, 4.3.26, eerste en tweede lid, en 4.3.29 zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. De officier van justitie brengt het vonnis na ondertekening ter kennis van de verdachte. Indien de verbetering de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, brengt hij het vonnis eveneens ter kennis van de benadeelde partij. Indien de desbetreffende procespartij de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, zendt de officier van justitie haar een kennisgeving in een voor haar begrijpelijke taal waarin de inhoud van de verbetering is weergegeven.

  6. Indien de tenuitvoerlegging van het vonnis reeds was aangevangen, kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet.

Artikel 4.6.2

  1. De rechtbank beslist op verzoek van de benadeelde partij alsnog bij afzonderlijk vonnis als zij verzuimd heeft te beslissen over de vordering van deze partij die gevoegd is behandeld met de zaak, dan wel over een onderdeel van die vordering. Indien de rechtbank de vordering toewijst, kan zij ambtshalve beslissen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank gaat niet tot het wijzen van vonnis over dan na de officier van justitie en zo mogelijk de verdachte in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  2. De rechtbank beslist op vordering van de officier van justitie alsnog bij afzonderlijk vonnis als zij verzuimd heeft te beslissen over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel die gevoegd is behandeld met de zaak. De rechtbank gaat niet tot het wijzen van vonnis over dan na de verdachte zo mogelijk in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  3. Het verzoek of de vordering wordt ingediend binnen twee weken na de uitspraak van het eindvonnis. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen het eindvonnis, draagt de rechtbank de processtukken pas over aan het gerechtshof nadat op het verzoek of de vordering is beslist.

  4. Het vonnis wordt gewezen met toepassing van artikel 4.4.7, eerste tot en met derde lid, dan wel artikel 4.4.21. In het vonnis wordt vermeld op welke zaak het vonnis betrekking heeft. Artikel 4.3.20, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  5. Het vonnis wordt op een door de rechtbank te bepalen dag uitgesproken. De verdachte wordt voor de uitspraak opgeroepen. Indien het vonnis de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft, wordt dag en plaats van de uitspraak ter kennis gebracht van de benadeelde partij.

  6. De artikelen 4.3.26, 4.3.28 tot en met 4.3.32 alsmede 4.4.7, vierde lid, zijn op de uitspraak van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het vonnis of de kennisgeving in persoon wordt betekend als geen sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken de verdachte bekend is.

Artikel 4.6.3

Een verzoek als bedoeld in de artikelen 4.6.1 en 4.6.2 kan namens de verdachte of de benadeelde partij worden gedaan door:

  1. een advocaat die verklaart dat hij daartoe specifiek is gemachtigd;

  2. een vertegenwoordiger die daartoe specifiek schriftelijk is gemachtigd.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering