Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 5

Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten

Artikel 3.5.1

  1. De rechtstreeks belanghebbende kan zich bij het gerechtshof beklagen over het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, alsmede over het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking.

  2. Beklag over het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feit kan alleen plaatsvinden tegen een beslissing van de officier van justitie op een klacht van de rechtstreeks belanghebbende over niet-opsporing. Deze klacht wordt ingediend bij de officier van justitie onder wiens gezag het opsporingsonderzoek had moeten plaatsvinden of heeft plaatsgevonden. Artikel 3.5.4, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De betrokken opsporingsdienst draagt er zorg voor dat de officier van justitie tijdig alle stukken en inlichtingen ontvangt die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn. De officier van justitie neemt binnen zes weken een beslissing over de klacht. Van de beslissing van de officier van justitie worden de rechtstreeks belanghebbende die zich heeft beklaagd en, indien bekend, degene op wie de klacht betrekking heeft direct in kennis gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikellid.

  3. Indien de beslissing waarover is geklaagd, is genomen door een officier van justitie bij een arrondissementsparket, is het gerechtshof waaronder het arrondissement ressorteert, bevoegd te oordelen over het beklag. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het landelijk parket of bij het functioneel parket, is het gerechtshof Den Haag bevoegd. Indien de beslissing is genomen naar aanleiding van het in de uitoefening van zijn functie gebruiken van geweld door een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd. Indien de beslissing is genomen door een officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie, is bevoegd het gerechtshof in het ressort waar de klager woon- of verblijfplaats heeft. Bij gebreke daaraan is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevoegd.

Artikel 3.5.2

Onder rechtstreeks belanghebbende wordt mede verstaan een rechtspersoon die krachtens zijn doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door het achterwege blijven van opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit, of door het vervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking rechtstreeks wordt getroffen.

Artikel 3.5.3

Na een buitenvervolgingstelling of een verklaring dat de zaak is geëindigd, is beklag ter zake van hetzelfde feit niet toegelaten, tenzij degene op wie het beklag betrekking heeft niet de gewezen verdachte is.

Artikel 3.5.4

  1. Het beklag wordt ingediend binnen drie maanden nadat de rechtstreeks belanghebbende in kennis is gesteld van een beslissing van de officier van justitie tot het achterwege laten van opsporing, van vervolging of van voortzetting van de vervolging van een strafbaar feit dan wel tot vervolging door middel van een strafbeschikking, dan wel nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de rechtstreeks belanghebbende met deze beslissing bekend is geraakt.

  2. Het beklag is voorzien van een datum, naam en adres van de klager en geeft aan tegen welke beslissing van de officier van justitie het is gericht. Indien het beklag wordt gedaan namens een rechtspersoon, geeft het aan dat de indiener daartoe bevoegd en gemachtigd is.

  3. Het beklag tegen vervolging door middel van een strafbeschikking kan ook na de in het eerste lid bedoelde termijn worden gedaan, indien de strafbeschikking niet volledig wordt tenuitvoergelegd.

  4. Het gerechtshof stelt de klager in kennis van de ontvangst van het klaagschrift op het adres dat in het klaagschrift is vermeld.

  5. Het gerechtshof draagt de advocaat-generaal op verslag te doen. De advocaat-generaal brengt verslag uit binnen drie maanden nadat hij de opdracht van het gerechtshof heeft ontvangen.

Artikel 3.5.5

  1. De behandeling van het beklag door het gerechtshof is niet openbaar.

  2. Is het gerechtshof kennelijk onbevoegd om van het beklag kennis te nemen, de klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn beklag of het beklag kennelijk ongegrond, dan kan het gerechtshof zonder onderzoek op de zitting beslissen.

Artikel 3.5.6

  1. Het gerechtshof hoort de klager, althans roept hem daartoe behoorlijk op, behoudens in de gevallen, bedoeld in artikel 3.5.5, tweede lid.

  2. Indien het beklag is gedaan door meer dan twee personen, kan het gerechtshof volstaan met het oproepen van de twee personen, van wie namen en adressen als eerste in het klaagschrift zijn vermeld.

Artikel 3.5.7

  1. Het gerechtshof kan degene op wie het beklag betrekking heeft oproepen om hem in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken over het beklag en de gronden waarop dat berust. De oproeping gaat vergezeld van een kopie van het klaagschrift of bevat een aanduiding van het feit waarop het beklag betrekking heeft.

  2. Een bevel tot vervolging wordt niet gegeven voordat degene op wie het beklag betrekking heeft door het gerechtshof is gehoord, althans behoorlijk daartoe is opgeroepen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.5.8

  1. De klager en degene op wie het beklag betrekking heeft worden in de oproeping gewezen op het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.2.18, derde en vierde lid, en op de mogelijkheid om toevoeging van een advocaat te verzoeken.

  2. De kennisneming van de stukken vindt plaats op de wijze door de voorzitter te bepalen. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Van de omstandigheid dat stukken worden onthouden, worden de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

  3. De voorzitter kan, ambtshalve of op vordering van de advocaat-generaal, bepalen dat in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt.

  4. Van de beslissing om van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie te verstrekken, worden de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft in kennis gesteld.

Artikel 3.5.9

  1. Het horen van de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft kan ook aan een lid van het gerechtshof worden opgedragen.

  2. Het gerechtshof kan besluiten om de klager en degene op wie het beklag betrekking heeft op dezelfde zitting maar buiten elkaars aanwezigheid te horen.

  3. Degene op wie het beklag betrekking heeft is niet verplicht op de vragen die hem worden gesteld, te antwoorden. Voordat hij wordt gehoord wordt hem dit meegedeeld. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.

  4. Het gerechtshof kan op vordering van de advocaat-generaal, op verzoek van de klager of degene op wie het beklag betrekking heeft dan wel ambtshalve, aan de rechter-commissaris of aan de raadsheer-commissaris opdracht geven om nader onderzoek te verrichten of te doen verrichten.

Artikel 3.5.10

  1. Indien het gerechtshof niet bevoegd is te oordelen over het beklag, verklaart het zich onbevoegd. Is het van oordeel dat een ander gerechtshof bevoegd is, dan verwijst het de zaak naar het bevoegd geachte gerechtshof.

  2. Het gerechtshof kan bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van de klager in zijn beklag rekening houden met door hem aangevoerde omstandigheden die hebben geleid tot overschrijding van de termijn voor het indienen van het beklag, bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid.

  3. Het gerechtshof kan de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag indien door de klager ter zake van hetzelfde feit al eerder beklag is gedaan en door hem geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nieuwe beoordeling van het beklag aanleiding geven.

  4. Indien het gerechtshof bevoegd is te oordelen over het beklag, de klager ontvankelijk is en het gerechtshof van oordeel is dat opsporing, vervolging of voortzetting van de vervolging moet plaatsvinden, beveelt het de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of de vervolging voor dat feit. Het kan bij het bevel tot vervolging bepalen dat aan het bevel geen gevolg wordt gegeven indien de verdachte binnen of gedurende een bepaalde termijn voldoet aan een bepaalde voorwaarde, hem door de officier van justitie gesteld.

  5. Het gerechtshof wijst het beklag af indien het dat beklag niet gegrond acht. Het gerechtshof kan het beklag ook afwijzen op gronden aan het algemeen belang ontleend.

  6. Van de beslissing van het gerechtshof wordt degene op wie het beklag betrekking heeft direct in kennis gesteld.

Artikel 3.5.11

  1. Tenzij het gerechtshof anders bepaalt, kan de vervolging niet worden ingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

  2. Indien het gerechtshof een bevel tot vervolging heeft gegeven, kan de officier van justitie niet van vervolging afzien, tenzij het gerechtshof na een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie daarmee heeft ingestemd.

  3. De officier van justitie stelt zijn vordering met de gronden waarop van vervolging zou moeten worden afgezien en de processtukken ter beschikking van het gerechtshof.

  4. Het gerechtshof kan in de gevallen waarin het de vordering kennelijk gegrond acht, afzien van een onderzoek op de zitting.

  5. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de door hem op grond van artikel 3.5.10, vierde lid, tweede zin, gestelde voorwaarde door de verdachte is voldaan, kan hij afzien van vervolging zonder de instemming van het gerechtshof, bedoeld in het tweede lid. Hij stelt de verdachte en de klager in kennis van zijn beslissing.

Artikel 3.5.12

De leden van het gerechtshof die over het beklag hebben geoordeeld, nemen geen deel aan de berechting.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering