Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 1

Algemeen

Artikel 3.1.1

  1. De officier van justitie neemt naar aanleiding van het opsporingsonderzoek een beslissing over het instellen van vervolging tegen de verdachte. Hij neemt daarbij de beginselen van een goede procesorde in acht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

  2. Indien de officier van justitie van oordeel is dat vervolging door middel van een strafbeschikking of procesinleiding moet worden ingesteld, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.

  3. Zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, maar in ieder geval voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, wordt de verdachte zo mogelijk verhoord of, indien hij niet eerder als zodanig is verhoord, op zijn verzoek daartoe in de gelegenheid gesteld.

  4. Ingeval van een misdrijf, omschreven in artikel 245, 247, 248a, 248d of 248e van het Wetboek van Strafrecht en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaar of ouder is, stelt de officier van justitie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken.

  5. Voordat de officier van justitie vervolging voor een misdrijf instelt, roept hij de persoon voor wie krachtens artikel 65, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht door een wettelijk vertegenwoordiger een klacht is ingediend, op en stelt hij deze in de gelegenheid zijn mening over de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken. De oproeping daartoe blijft achterwege als het horen van deze persoon niet mogelijk of wenselijk is in verband met zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

Artikel 3.1.2

Indien een vervolging eindigt met een eindvonnis of eindarrest over de vragen, bedoeld in artikel 4.3.1, neemt de officier van justitie zo spoedig mogelijk een beslissing over het alsnog voortzetten van de vervolging. Artikel 3.4.2 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.1.3

  1. De rechtbank kan verklaren dat de zaak is geëindigd:

    1. op verzoek van de verdachte die is verhoord;

    2. op voordracht van de rechter-commissaris, bedoeld in artikel 2.10.67, tweede lid; of

    3. op verzoek van de verdachte indien in het geval, bedoeld in artikel 3.1.2, of in het geval, bedoeld in artikel 4.1.15, vervolging uitblijft zonder dat de verdachte ervan in kennis is gesteld dat van voortzetting van de vervolging wordt afgezien.

  2. De rechtstreeks belanghebbende die bekend is wordt gehoord, althans hiertoe opgeroepen.

  3. De behandeling van het verzoek of de voordracht is niet openbaar.

  4. De raadkamer kan, indien de officier van justitie aannemelijk maakt dat vervolging zal worden ingesteld of voortgezet, de beslissing telkens voor bepaalde tijd aanhouden.

  5. De beslissing van de raadkamer wordt direct ter kennis gebracht van de rechtstreeks belanghebbende die bekend is.

Artikel 3.1.4

Na een verklaring dat de zaak is geëindigd, kan tegen de gewezen verdachte geen vervolging worden ingesteld of voortgezet voor hetzelfde feit, behoudens in het geval nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Artikel 3.4.3, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering