-
Onder verdachte wordt voorafgaand aan het instellen van de vervolging verstaan degene die als zodanig is aangemerkt.
-
Iemand mag alleen als verdachte worden aangemerkt indien ten aanzien van hem uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.
-
Na het instellen van vervolging wordt onder verdachte verstaan degene tegen wie de vervolging is gericht.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 4
Artikel 1.4.2
-
Voor de gevoegde behandeling van een vordering tot tenuitvoerlegging van een niet tenuitvoergelegde straf wordt onder verdachte mede verstaan: de persoon tegen wie de veroordeling tot een niet tenuitvoergelegde straf waarvan de tenuitvoerlegging gevorderd wordt, is gewezen.
-
Voor onderzoek dat wordt verricht ter bepaling van wederrechtelijk verkregen voordeel en voor de afzonderlijke behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt onder verdachte mede verstaan: de persoon tegen wie het eindvonnis of het eindarrest is gewezen.
-
De rechten van de verdachte komen ook toe aan de ambtenaar die in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt en ten aanzien van welk geweldgebruik een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 6.5.14 is ingesteld.
Artikel 1.4.3
-
In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt verhoord, onthoudt de verhorende ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd.
-
De verdachte is niet verplicht tot antwoorden.
Artikel 1.4.4
-
Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding meegedeeld voor welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Wanneer de verdachte niet is staande gehouden of aangehouden wordt hem deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.
-
Aan de verdachte die niet is aangehouden, wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor, mededeling gedaan het bepaalde in artikel 1.4.3, tweede lid, van zijn recht op rechtsbijstand en, indien van toepassing, zijn recht op vertolking en vertaling.
-
De verdachte die wordt uitgenodigd voor verhoor wordt voorafgaand aan zijn eerste verhoor in kennis gesteld van:
zijn recht om de in het eerste lid bedoelde informatie te ontvangen;
de in het tweede lid bedoelde rechten;
zijn recht op kennisneming van de processtukken;
zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;
zijn recht om de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te verrichten op grond van de artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4.
-
De aangehouden verdachte wordt direct na zijn aanhouding en in ieder geval voorafgaand aan zijn eerste verhoor in kennis gesteld van:
de in het derde lid bedoelde informatie;
de termijn waarbinnen de verdachte, voor zover hij niet in vrijheid is gesteld, krachtens dit wetboek voor de rechter-commissaris wordt geleid;
de mogelijkheden om krachtens dit wetboek om opheffing van de voorlopige hechtenis te verzoeken;
zijn recht om een persoon mededeling te doen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 2.5.12, eerste lid;
zijn recht om de consulaire post mededeling te doen van zijn vrijheidsbeneming, bedoeld in artikel 2.5.12, tweede lid;
de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen rechten.
-
Aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, worden de mededeling en kennisgeving van rechten in een voor hem begrijpelijke taal gedaan.
-
In het proces-verbaal wordt vermeld dat de in dit artikel bedoelde rechten aan de verdachte zijn meegedeeld of dat hij daarvan in kennis is gesteld.
Artikel 1.4.5
-
De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
-
Hem wordt daartoe, telkens wanneer hij dit verzoekt, zoveel mogelijk de gelegenheid verschaft om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen.
-
Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend.
-
In bijzondere gevallen kan op gemotiveerd verzoek van de verdachte meer dan één raadsman worden aangewezen.
Artikel 1.4.6
-
De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1.4.5, eerste lid, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Wanneer de rechter of opsporingsambtenaar blijkt dat de verdachte afstand van rechtsbijstand wil doen, licht hij de verdachte in over de gevolgen daarvan en deelt hij de verdachte mee dat hij van zijn beslissing kan terugkomen. Hiervan wordt proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 1.4.7
-
Onverminderd artikel 1.4.4 wordt de verdachte van zijn recht op rechtsbijstand mededeling gedaan:
voor de inverzekeringstelling en voor de vordering tot inbewaringstelling door de officier van justitie of de hulpofficier van justitie;
bij het eerste verhoor in geval de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4, door deze;
in geval de verdachte door mededeling hoger beroep of beroep in cassatie instelt tegen een eindvonnis of eindarrest, door de medewerker van de griffie.
-
Van het recht op rechtsbijstand wordt de verdachte in kennis gesteld bij de betekening van:
de procesinleiding;
de kennisgeving van een door de officier van justitie ingesteld hoger beroep tegen een eindvonnis of een door de advocaat-generaal ingesteld beroep in cassatie tegen een eindarrest;
de kennisgeving van ontvangst van de processtukken, nadat hoger beroep is ingesteld tegen een eindvonnis;
de kennisgeving van ontvangst van de processtukken, nadat beroep in cassatie is ingesteld tegen een eindarrest.
Artikel 1.4.8
-
In alle gevallen waarin de verdachte wordt gehoord, verhoord of ondervraagd dan wel een verhoor bijwoont, vraagt de verhorende ambtenaar de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
-
Indien over de identiteit van de verdachte twijfel bestaat, neemt de verhorende ambtenaar, in de gevallen waarin van de verdachte overeenkomstig dit wetboek vingerafdrukken zijn genomen en verwerkt, voor het vaststellen van de identiteit van de verdachte ter verificatie zijn vingerafdrukken die worden vergeleken met de van de verdachte verwerkte vingerafdrukken. In de andere gevallen verifieert de verhorende ambtenaar de identiteit van de verdachte door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
-
De verhorende ambtenaar kan ten behoeve van de bevoegdheidsuitoefening, bedoeld in het tweede lid, de verdachte bevelen daartoe zijn medewerking te verlenen aan het nemen van zijn vingerafdrukken en zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.
Artikel 1.4.9
-
Als raadslieden worden toegelaten in Nederland op het tableau van de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaten.
-
Verder worden toegelaten de personen, bedoeld in artikel 16b of 16h van de Advocatenwet, indien zij samenwerken met een in Nederland ingeschreven advocaat overeenkomstig de artikelen 16e of 16j van de Advocatenwet.
Artikel 1.4.10
-
De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.
-
Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.
-
Is de verdachte verhinderd van zijn wil te doen blijken en heeft hij geen wettelijk vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een van de meest in aanmerking komende van zijn bloed- of aanverwanten, tot en met de vierde graad, tot die keuze bevoegd.
-
De op grond van het tweede of derde lid gekozen raadsman treedt terug, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.
Artikel 1.4.11
-
De gekozen of de op grond van artikel 1.4.13 aangewezen raadsman stelt de officier van justitie zo spoedig mogelijk in kennis van zijn optreden voor de verdachte. Indien de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek of in verzekering is gesteld, doet de gekozen raadsman van zijn optreden tevens mededeling aan de hulpofficier van justitie.
-
Zodra de officier van justitie deze kennisgeving heeft ontvangen, voegt hij deze bij de processtukken.
-
De gekozen of aangewezen raadsman stelt de rechtbank in kennis van zijn optreden voor de verdachte in een zaak waarin een procesinleiding is ingediend, tenzij hij al eerder van zijn optreden voor de verdachte kennis heeft gegeven aan de officier van justitie.
-
Indien de gekozen of aangewezen raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsman vervangt, zijn het eerste tot en met derde lid van overeenkomstige toepassing. De gekozen raadsman stelt van de vervanging ook de raadsman die hij vervangt in kennis, alsmede het bestuur van de raad voor rechtsbijstand voor zover de raadsman die hij vervangt eerder door dat bestuur is aangewezen. Door de kennisgeving aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand eindigen de werkzaamheden van de vervangen raadsman.
-
Indien het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op grond van artikel 1.4.12 een raadsman heeft aangewezen, stelt het bestuur daarvan de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, de raadsman en de verdachte in kennis. Het tweede lid is van toepassing.
-
Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, stelt de raadsman van zijn optreden voor de verdachte het gerechtshof respectievelijk de Hoge Raad in kennis.
Artikel 1.4.12
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst na de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.3.7, eerste en tweede lid, of na de kennisgeving dat een verdachte in verzekering is gesteld voor wie niet eerder een raadsman is aangewezen, een raadsman aan.
-
De verdachte kan een voorkeur voor een bepaalde raadsman kenbaar maken.
-
De aangewezen raadsman treedt ook op als raadsman voor de verdachte tijdens de behandeling door de rechtbank van het beroep van de officier van justitie, bedoeld in artikel 2.5.59.
-
De aanwijzing eindigt met het aflopen van het ophouden voor onderzoek of van de inverzekeringstelling.
Artikel 1.4.13
Voor de verdachte die geen raadsman heeft, wordt door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen na kennisgeving door het openbaar ministerie dat:
ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is bevolen, dan wel, indien de verdachte niet in verzekering is gesteld, ten aanzien van hem de bewaring of gevangenneming is gevorderd;
hoger beroep is ingesteld tegen het eindvonnis en het een zaak betreft waarin zijn voorlopige hechtenis is bevolen.
Artikel 1.4.14
-
Het bestuur van de raad voor rechtsbijstand wijst op verzoek van de verdachte voor hem een raadsman aan, indien de verdachte anders dan op grond van de tegen hem bestaande verdenking rechtens zijn vrijheid is ontnomen en een procesinleiding is ingediend, tenzij hij door de duur van zijn vrijheidsbeneming niet in zijn verdediging kan worden geschaad.
-
Indien de voorzitter van het gerecht van oordeel is dat aan een verdachte die zich in vrijheid bevindt en die geen raadsman heeft, in het belang van zijn verdediging rechtsbijstand moet worden verleend nadat de procesinleiding is ingediend, geeft hij opdracht aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om een raadsman aan te wijzen.
Artikel 1.4.15
-
De aanwijzing van een raadsman op grond van de artikelen 1.4.13 en 1.4.14 vindt plaats voor de duur van de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de artikelen 1.4.13 en 1.4.14.
Artikel 1.4.16
-
De aangewezen raadsman kan de waarneming van bepaalde verrichtingen namens hem door een andere raadsman laten plaatsvinden.
-
Bij verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman treft deze een voorziening voor zijn waarneming. Indien blijkt dat dit niet is gebeurd, wordt zo nodig voor de verdachte direct een andere raadsman aangewezen.
-
Blijkt van de verhindering of afwezigheid van de aangewezen raadsman pas op de terechtzitting, dan geeft de voorzitter van het gerecht opdracht tot aanwijzing van een andere raadsman.
-
Op verzoek van de aangewezen raadsman of van de verdachte kan een andere raadsman worden aangewezen.
-
Aanwijzing van een andere raadsman vindt plaats door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand die de te vervangen raadsman heeft aangewezen. Ingeval de raadsman is aangewezen in opdracht van een rechter, stelt de raad de rechter van de vervanging in kennis.
Artikel 1.4.17
De raadsman heeft vrije toegang tot de verdachte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen en kan vertrouwelijk met hem communiceren, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
Artikel 1.4.18
-
Indien uit bepaalde omstandigheden een ernstig vermoeden voortvloeit dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte hetzij ertoe zal strekken de verdachte bekend te maken met een omstandigheid waarvan hij in het belang van het onderzoek tijdelijk onkundig moet blijven, hetzij wordt misbruikt voor pogingen om de waarheidsvinding te belemmeren, kan de officier van justitie telkens bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachte zal hebben of niet, dan wel niet vertrouwelijk, met hem zal communiceren.
-
Het bevel omschrijft de bepaalde omstandigheden bedoeld in het eerste lid; het beperkt de vrijheid van verkeer tussen raadsman en verdachte niet meer en wordt niet voor een langere duur gegeven dan door die omstandigheden wordt vereist. Het is in elk geval slechts gedurende ten hoogste zes dagen van kracht. De verdachte en zijn raadsman worden in kennis gesteld van het bevel. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.
-
De officier van justitie dient direct een vordering tot handhaving van het bevel bij de rechtbank in. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk na de raadsman te hebben gehoord, althans daartoe te hebben opgeroepen. De rechtbank kan bij haar beslissing het bevel handhaven, opheffen, wijzigen of aanvullen.
-
Alle belemmeringen van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte, die op grond van dit artikel zijn bevolen, eindigen zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.
Artikel 1.4.19
-
In geval een bevel als bedoeld in artikel 1.4.18 is gegeven, brengt de officier van justitie dit direct ter kennis van de voorzitter van de rechtbank. Deze geeft direct opdracht aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om een raadsman aan te wijzen.
-
De aangewezen raadsman treedt, zolang het bevel van kracht is en voor zover het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte daardoor wordt beperkt, als zodanig op.
Artikel 1.4.20
-
De rechten die in dit wetboek aan de verdachte zijn toegekend, kunnen ook door zijn raadsman worden uitgeoefend, tenzij de wet anders bepaalt.
-
Alle berichten die op grond van dit wetboek aan de verdachte ter kennis worden gebracht, worden ook aan zijn raadsman ter kennis gebracht.