Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 5

Het slachtoffer

Artikel 1.5.1

In dit wetboek wordt verstaan onder:

  1. slachtoffer: het directe en het indirecte slachtoffer;

  2. direct slachtoffer: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade heeft geleden of economisch nadeel heeft ondervonden;

  3. indirect slachtoffer: familielid van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit;

  4. familielid: de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere levensgezel van het directe slachtoffer, de bloedverwant in rechte lijn, de bloedverwant in de zijlijn tot en met de vierde graad en de persoon die van het directe slachtoffer afhankelijk is;

  5. minderjarig slachtoffer: het slachtoffer dat jonger is dan achttien jaar;

  6. benadeelde partij: de personen bedoeld in artikel 1.5.10, eerste en tweede lid.

Artikel 1.5.2

  1. De officier van justitie draagt zorg voor een correcte bejegening van het slachtoffer.

  2. De officier van justitie en andere opsporingsambtenaren dragen zorg voor verwijzing van het slachtoffer naar een instelling voor slachtofferhulp waar zij toegang hebben tot informatie, advies en ondersteuning.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. de toegang van slachtoffers en hun familieleden tot instellingen voor slachtofferhulp, de voorwaarden voor deze toegang, alsmede de financiering, organisatie en werkzaamheden van instellingen voor slachtofferhulp;

    2. een individuele beoordeling waaraan het slachtoffer tijdig wordt onderworpen om specifieke beschermingsbehoeften te onderkennen en om te bepalen of en zo ja in welke mate het slachtoffer, in het bijzonder tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek op de terechtzitting, van bijzondere maatregelen gebruik moet kunnen maken;

    3. maatregelen tot bescherming van het slachtoffer, waaronder in het bijzonder het minderjarige slachtoffer, en zijn familieleden.

  4. De in het derde lid bedoelde regels omvatten in ieder geval de plicht om het minderjarige slachtoffer of zijn ouders te informeren over alle rechten en maatregelen die specifiek verband houden met het minderjarige slachtoffer.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een goede rechtsbedeling regels worden gesteld die beperkingen inhouden van het aantal familieleden, dat aanspraak kan maken op de rechten vermeld in deze titel en die bepalen welke indirecte slachtoffers bij die aanspraak voorrang krijgen. Dit geldt niet voor de uitoefening van het spreekrecht.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:

    1. het gebruik door de instelling voor slachtofferhulp van het burgerservicenummer van het slachtoffer of zijn familieleden;

    2. de gevallen waarin deze instelling voor slachtofferhulp in verband met de uitvoering van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer bevoegd is een registratie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van die wet te raadplegen.

Artikel 1.5.3

  1. De officier van justitie zorgt ervoor dat het slachtoffer:

    1. bij zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaar zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van informatie die hem in staat stelt de rechten die hem toekomen uit te oefenen;

    2. bij of na zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaar zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld van zijn recht, bedoeld in artikel 1.5.4, eerste lid, om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hem begane strafbare feit.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud, het aanbieden en verstrekken van informatie als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 1.5.4

  1. Het slachtoffer heeft recht om voldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hem begane strafbare feit. Dit recht omvat het recht om informatie te ontvangen over ten minste:

    1. het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigen daarvan;

    2. het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte;

    3. het niet vervolgen van een strafbaar feit;

    4. het instellen van vervolging;

    5. de aard van het aan de verdachte ten laste gelegde feit;

    6. de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting;

    7. het eindvonnis, het eindarrest en het arrest van de Hoge Raad in de zaak tegen de verdachte;

    8. het instellen van verzet, hoger beroep en beroep in cassatie door de verdachte en het onherroepelijk worden van het eindvonnis of het eindarrest;

    9. de afzonderlijke beslissing waarbij met toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging krachtens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg of een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname krachtens de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten wordt afgegeven;

    10. de in het vierde en vijfde lid genoemde mededelingen en over de maatregel, bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de maatregel betrekking heeft op door het slachtoffer zelf geleden schade.

  2. De informatie wordt het slachtoffer op zijn verzoek verstrekt. Hij wordt door de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b, c en d, ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Door de officier van justitie wordt hij ten minste in kennis gesteld van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met j.

  3. Het slachtoffer dat daarom verzoekt wordt in kennis gesteld van informatie die hem in staat stelt te beslissen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof als bedoeld in artikel 3.5.1. De kennisgeving van de informatie bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, omvat naast de beslissing ten minste de motivering van de betrokken beslissing.

  4. De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek direct in kennis van de invrijheidstelling of ontsnapping van de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of van de veroordeelde.

  5. De officier van justitie stelt het slachtoffer op zijn verzoek in kennis van de maatregelen die voor zijn bescherming zijn genomen indien de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of de veroordeelde in vrijheid wordt gesteld of is ontsnapt.

  6. Indien een aanwijsbaar risico bestaat dat de verdachte of de veroordeelde als gevolg van de kennisgeving bedoeld in het vierde en vijfde lid schade wordt berokkend, blijft de kennisgeving achterwege.

  7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld inzake het recht van het slachtoffer om informatie te ontvangen in verband met de zaak en het in kennis stellen van het slachtoffer van informatie in verband met de zaak.

Artikel 1.5.5

  1. Het slachtoffer kan stukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering tegen de verdachte indienen ter voeging bij de processtukken. Artikel 1.8.4 is van overeenkomstige toepassing.

  2. Het slachtoffer kan verzoeken zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte bij de processtukken te voegen of te doen voegen. Het verzoek is gemotiveerd. Met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek kan het slachtoffer verzoeken om inzage te krijgen in de stukken. Artikel 1.8.5, vierde lid, is van toepassing.

  3. Het slachtoffer kan verzoeken om kennisneming van de processtukken. De kennisneming van bepaalde processtukken kan worden onthouden in het belang van het onderzoek, in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Het slachtoffer wordt in dat geval ervan in kennis gesteld dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn. Artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing.

  4. Zolang de berechting niet is aangevangen beslist de officier van justitie op een verzoek als bedoeld in het derde lid. Na de aanvang van de berechting beslist tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de voorzitter van de rechtbank en daarna de rechtbank.

  5. Na het instellen van hoger beroep tegen het eindvonnis is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

  6. In de gevallen waarin op grond van artikel 3.5.1 beklag kan worden ingediend, blijft het derde lid van toepassing zolang de termijn, genoemd in artikel 3.5.4, eerste lid, niet is verstreken.

  7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de kennisneming van de processtukken of inzage daarin plaatsvindt.

Artikel 1.5.6

  1. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan tijdens het opsporingsonderzoek en op de terechtzitting.

  2. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan door een advocaat, door zijn wettelijk vertegenwoordiger en tevens door een persoon naar keuze.

  3. Het slachtoffer kan op de terechtzitting zijn belangen laten behartigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gemachtigd te zijn, of door een gemachtigde die daartoe een specifieke schriftelijke volmacht overlegt.

  4. De politie, de officier van justitie of de rechter kan de bijstand aan een slachtoffer door zijn wettelijk vertegenwoordiger of door een persoon naar keuze, dan wel het behartigen van de belangen door een schriftelijk gemachtigde, weigeren in het belang van het onderzoek of het belang van het slachtoffer. Deze weigering wordt gemotiveerd.

Artikel 1.5.7

  1. Het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan verzoeken informatie waarop hij overeenkomstig artikel 1.5.4, eerste of derde lid, recht heeft en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal.

  2. De vertaling die aan het slachtoffer wordt verstrekt omvat, voor zover zijn verzoek hierop betrekking heeft, ten minste de informatie, bedoeld in artikel 1.5.4, eerste lid, onderdelen a, c, d, f, g, i en j voor zover deze informatie noodzakelijk is om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen.

  3. Het slachtoffer dat de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst:

    1. kan verzoeken processtukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan overeenkomstig artikel 1.5.5 en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, schriftelijk te laten vertalen in een voor hem begrijpelijke taal;

    2. kan de bijstand van een tolk verzoeken bij de kennisneming van processtukken of inzage van stukken die hem overeenkomstig artikel 1.5.5 is toegestaan en die hij noodzakelijk acht om zijn rechten in het strafproces te kunnen uitoefenen, ten behoeve van mondelinge vertaling in een voor hem begrijpelijke taal.

  4. Het verzoek, bedoeld in het eerste of derde lid, onderdeel a, omschrijft zo duidelijk mogelijk de informatie, de processtukken of gedeelten daarvan waarop het verzoek betrekking heeft en is gemotiveerd.

  5. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gericht aan de officier van justitie. Op een verzoek als bedoeld in het derde lid, is artikel 1.5.5, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. Een verzoek als bedoeld in het eerste en derde lid, wordt tijdens de tenuitvoerlegging gericht aan Onze Minister.

  6. Van een afwijzing van een verzoek als bedoeld in het eerste of derde lid, wordt het slachtoffer in kennis gesteld door degene aan wie dat verzoek is gericht.

  7. Onverminderd het eerste, tweede en derde lid, onderdeel a, kan in plaats van een schriftelijke vertaling in specifieke gevallen een mondelinge vertaling of vertaalde samenvatting worden verstrekt van de informatie of processtukken die het slachtoffer nodig heeft om zijn rechten te kunnen uitoefenen, op voorwaarde dat de eerlijkheid van de procesvoering daardoor niet wordt aangetast.

  8. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over vertaling van informatie en processtukken die aan het slachtoffer op zijn verzoek ter beschikking wordt gesteld, over de bijstand door een tolk en over de ondersteuning van het slachtoffer bij zijn noodzakelijke contacten met de politie, het openbaar ministerie, de rechter en Onze Minister.

Artikel 1.5.8

  1. Het spreekrecht kan worden uitgeoefend indien het tenlastegelegde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, dan wel een van de misdrijven betreft genoemd in de artikelen 240b, 247, 248a, 248b, 249, 250, 285, 285b, 300, tweede en derde lid, 301, tweede en derde lid, 306 tot en met 308, 318 en 372 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Van het voornemen tot het uitoefenen van het spreekrecht geven degenen die daartoe gerechtigd zijn, voor de aanvang van de terechtzitting kennis aan het openbaar ministerie opdat zij tijdig kunnen worden opgeroepen.

  2. Het slachtoffer kan op de terechtzitting een verklaring afleggen.

  3. Het spreekrecht bedoeld in het tweede lid kan ook worden uitgeoefend door de vader of moeder van een minderjarig direct slachtoffer die een nauwe band met dat slachtoffer heeft of door een persoon die dat slachtoffer als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en in een nauwe persoonlijke betrekking tot dat slachtoffer staat. Zij kunnen gezamenlijk of elk afzonderlijk van het spreekrecht gebruik maken.

  4. Het spreekrecht kan, onder overeenkomstige toepassing van artikel 4.2.46 ook worden uitgeoefend door:

    1. personen die het overleden slachtoffer als behorende tot hun gezin hebben verzorgd en opgevoed en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan; en

    2. personen, anders dan genoemd onder a, die deel hebben uitgemaakt van het gezin waartoe het overleden slachtoffer behoorde en in een nauwe persoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan.

  5. Een slachtoffer kan van zijn spreekrecht gebruik maken als hij de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt of als hij, indien hij die leeftijd nog niet heeft bereikt, in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

  6. Indien het slachtoffer de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, kan het spreekrecht door zijn ouders gezamenlijk of elk afzonderlijk worden uitgeoefend.

  7. Voor het slachtoffer dat feitelijk niet bij machte is het spreekrecht uit te oefenen, kan het spreekrecht worden uitgeoefend door de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere levensgezel en één van de andere familieleden.

  8. Artikel 1.5.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van het spreekrecht.

  9. De voorzitter van het gerecht kan het spreekrecht ambtshalve of op vordering van de officier van justitie beperken of ontzeggen wegens strijd met het belang van het slachtoffer.

Artikel 1.5.9

Op de spreekgerechtigde die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het de uitoefening van het spreekrecht betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.5.10

  1. De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade heeft geleden of, voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, ander nadeel heeft ondervonden, kan zich met zijn vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces.

  2. Indien het directe slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen zijn erfgenamen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste tot en met vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen. Indien het directe slachtoffer ten gevolge van het strafbare feit letsel heeft, kunnen zich voegen de personen, bedoeld in artikel 107, eerste lid, onderdelen a en b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ter zake van de daar bedoelde vorderingen.

  3. De in het eerste en tweede lid bedoelde personen kunnen zich eveneens voor een deel van hun vordering voegen.

  4. Indien de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van een verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie deze gedraging als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt zij geacht te zijn gericht tegen zijn ouders.

Artikel 1.5.11

  1. De benadeelde partij is alleen ontvankelijk in haar vordering indien:

    1. de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging en

    2. de schade waarvan zij vergoeding vordert, is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een niet ten laste gelegd feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden.

  2. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering indien en voor zover die vordering een onevenredige belasting oplevert voor de behandeling van de zaak.

Artikel 1.5.12

Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig artikel 1.5.10 te voegen in het strafproces de vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 349, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen over vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.

Artikel 1.5.13

Aan de benadeelde partij die de wens te kennen geeft dat zijn schade in het strafproces wordt vergoed, zendt de officier van justitie een door Onze Minister vastgesteld formulier toe voor de opgave van zijn vordering en de gronden waarop zij berust. Het formulier vermeldt het parket waarbij de benadeelde partij het formulier kan indienen.

Artikel 1.5.14

Op de benadeelde partij die geen slachtoffer is, zijn, voor zover het haar vordering betreft, de artikelen 1.5.3 tot en met 1.5.7 en 1.5.15 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.5.15

  1. Het slachtoffer kan een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris tegen:

    1. de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, eerste lid, in verbinding met artikel 1.8.4, eerste lid, van de officier van justitie dat zijn verzoek om het voegen van stukken is afgewezen;

    2. de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, derde lid, van de officier van justitie dat de hem ter kennisneming gegeven stukken niet volledig zijn;

    3. de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.5, derde lid, in verbinding met artikel 1.8.8, derde lid, van de officier van justitie dat hem van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordt verstrekt;

    4. de kennisgeving, bedoeld in artikel 1.5.7, zesde lid, van de officier van justitie of Onze Minister dat zijn verzoek om vertaling van schriftelijke informatie of processtukken is afgewezen. Alvorens te beslissen op een bezwaarschrift tegen de afwijzing van Onze Minister, hoort de rechter-commissaris het slachtoffer en Onze Minister.

  2. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is twee weken na dagtekening van de beslissing.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering