-
De officier van justitie brengt de zaak ter berechting aan door een procesinleiding bij de voorzitter van de rechtbank in te dienen en deze aan de verdachte te betekenen. De berechting vangt hierdoor aan.
-
De officier van justitie brengt strafbare feiten waarvan dezelfde persoon wordt verdacht of zaken tegen verschillende verdachten ter gelijktijdige berechting aan indien dit in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak is.
-
De procesinleiding bevat:
een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd, met vermelding op welke plaats en omstreeks welke tijd het begaan zou zijn;
de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld;
een opgave van de getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen en tolken die de officier van justitie voor de terechtzitting zal oproepen;
een opgave van geluids- of beeldopnamen waarvan geen volledig proces-verbaal is opgemaakt.
-
Indien de officier van justitie met het oog op het bepalen van de straf een niet tenlastegelegd feit op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen, wordt dit feit in de procesinleiding kort aangeduid.
-
De officier van justitie stelt de verdachte de processtukken ter beschikking.
-
Indien een feit onder verwijzing naar het misdrijf, bedoeld in artikel 372 van het Wetboek van Strafrecht wordt tenlastegelegd, kan in de procesinleiding hetzelfde feit niet tevens onder verwijzing naar een ander misdrijf worden tenlastegelegd.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 1
Artikel 4.1.2
-
In de procesinleiding wordt de verdachte gewezen op:
zijn recht op rechtsbijstand;
zijn recht op kennisneming van alle processtukken;
zijn recht om stukken in te dienen ter voeging bij de processtukken;
zijn recht om bij de rechtbank een bezwaarschrift tegen de procesinleiding in te dienen;
zijn recht om tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te verrichten op grond van de artikelen 2.10.2 tot en met 2.10.4;
zijn recht een verzoek als bedoeld in artikel 4.1.4, eerste en tweede lid, in te dienen.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de procesinleiding uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de informatie, bedoeld in het eerste lid en in artikel 4.1.1, derde en vierde lid.
Artikel 4.1.3
De voorzitter van de rechtbank kan ter voorbereiding van de terechtzitting overleg voeren met de officier van justitie en de verdachte. Hij stelt hen in kennis van standpunten die de ander in dat overleg heeft ingenomen en door hem genomen beslissingen.
Artikel 4.1.4
-
De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen. De verdachte geeft aan de voorzitter de namen en de woon- of verblijfplaats op, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.
-
De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken te bevelen dat de officier van justitie zo nauwkeurig mogelijk omschreven stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel dat hem met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek de inzage van deze stukken wordt toegestaan. De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank verzoeken te bevelen dat de officier van justitie stukken van overtuiging zal overleggen.
-
Een verzoek wordt ingediend binnen een maand na de betekening van de procesinleiding. De voorzitter kan de termijn ambtshalve of op verzoek van de verdachte met een door hem te bepalen termijn verlengen. De termijn kan met instemming van de verdachte worden verkort. Door de instemming stemt de verdachte tevens in met verkorting van de termijn, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid.
-
De voorzitter stelt de officier van justitie in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken over een verzoek van de verdachte.
-
De voorzitter willigt een verzoek als bedoeld in het eerste lid niet in indien de officier van justitie aanvoert dat:
hij van oordeel is dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige op de terechtzitting te kunnen ondervragen;
sprake is van een bedreigde getuige of een afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen is gehouden; of
hij de getuige heeft toegezegd dat deze op geen andere wijze zal worden verhoord dan als bedreigde of als afgeschermde getuige wiens identiteit verborgen wordt gehouden en nog niet onherroepelijk op een vordering als bedoeld in de artikelen 2.10.39, eerste lid, of 2.10.46, eerste lid, is beslist.
-
De voorzitter kan, indien de verdachte en de officier van justitie daarmee instemmen, de rechter-commissaris opdragen de getuige of deskundige te verhoren of bepalen dat een van de rechters die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als rechter-commissaris zal verhoren. Deze rechter kan aan het onderzoek op de terechtzitting deelnemen, tenzij bij het verhoren van de getuige of deskundige is bepaald dat de verdachte en zijn raadsman daarbij niet aanwezig mogen zijn. De voorzitter bepaalt of het verhoor op een geluidsopname of geluids- en beeldopname wordt vastgelegd en of van het verhoor volledig proces-verbaal wordt opgemaakt.
-
De voorzitter willigt een verzoek om voeging dan wel inzage van stukken als bedoeld in het tweede lid niet in indien de officier van justitie met inachtneming van artikel 1.8.5, vierde lid, weigert de stukken over te dragen dan wel inzage van de stukken toe te staan.
-
De voorzitter stelt de officier van justitie en de verdachte direct in kennis van zijn beslissing op een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Bij inwilliging van een verzoek beveelt de voorzitter dat de officier van justitie de getuige of deskundige zal oproepen, de stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, de verdachte de inzage van stukken zal toestaan of de stukken van overtuiging zal overleggen.
-
Indien een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gedaan buiten de termijn, bedoeld in het derde lid, zijn het vierde tot en met het zevende lid van toepassing, tenzij de voorzitter van oordeel is dat het verzoek zich gelet op de dag die voor de terechtzitting is bepaald, niet voor inwilliging leent.
Artikel 4.1.5
De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, de officier van justitie en de verdachte in de gelegenheid stellen voorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting schriftelijk standpunten uit te wisselen.
Artikel 4.1.6
-
De voorzitter van de rechtbank bepaalt zo spoedig mogelijk in overleg met de officier van justitie en zo mogelijk in overleg met de verdachte of zijn raadsman de dag en het tijdstip waarop de terechtzitting plaatsvindt.
-
De voorzitter kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte, bepalen dat de inhoudelijke behandeling van de zaak wordt voorafgegaan door een regiezitting.
Artikel 4.1.7
-
De voorzitter van de rechtbank kan ter voorbereiding van de terechtzitting bevelen dat:
de officier van justitie nader omschreven onderzoek zal verrichten of doen verrichten;
de officier van justitie stukken zal overdragen met het oog op voeging van deze stukken bij de processtukken, dan wel stukken van overtuiging zal overleggen;
van hetgeen op een geluids- of beeldopname is vastgelegd alsnog volledig proces-verbaal wordt opgemaakt;
de verdachte in persoon zal verschijnen en zo nodig een bevel tot medebrenging geven.
-
In het geval, bedoeld in artikel 4.2.2, eerste lid, geeft de voorzitter een bevel tot medebrenging tenzij de omstandigheden, bedoeld in artikel 4.2.2, tweede lid, zich naar zijn oordeel voordoen en de verplichte verschijning achterwege kan blijven.
Artikel 4.1.8
-
De voorzitter van de rechtbank kan de officier van justitie bevelen getuigen of deskundigen voor de terechtzitting op te roepen. Het bevel vermeldt de namen en de woon- of verblijfplaats, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige. Artikel 4.1.4, zesde lid, is van toepassing.
-
Voordat de voorzitter het bevel geeft, stelt hij de officier van justitie in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn van ten hoogste twee weken zijn standpunt kenbaar te maken. Indien de officier van justitie aanvoert dat sprake is van een van de gronden vermeld in artikel 4.1.4, vijfde lid, geeft de voorzitter het bevel niet.
-
De voorzitter kan de medebrenging bevelen van de getuige of deskundige van wie op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk is dat hij geen gevolg zal geven aan een oproeping om op de terechtzitting te verschijnen.
Artikel 4.1.9
Vorderingen en verzoeken op grond van de bepalingen in deze titel worden gemotiveerd.
Artikel 4.1.10
-
De officier van justitie roept de verdachte voor de terechtzitting op.
-
De oproeping wordt betekend en bevat de opgave en de wettelijke voorschriften, bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, onderdelen a en b. Artikel 4.1.1, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.1.11
-
De officier van justitie roept voor de terechtzitting op:
de getuigen en deskundigen die hij in de procesinleiding heeft opgegeven;
de getuigen en deskundigen van wie de oproeping door de voorzitter is bevolen;
andere getuigen en deskundigen die de officier van justitie wenst te verhoren.
-
De voorzitter kan het verhoor van een getuige of deskundige, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of c, aan de rechter-commissaris opdragen of bepalen dat een van de rechters die over de zaak oordelen, de getuige of deskundige als rechter-commissaris zal verhoren. Artikel 4.1.4, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
De officier van justitie roept voorts voor de terechtzitting op:
het slachtoffer dat daarom heeft verzocht;
de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen en om oproeping heeft verzocht.
Artikel 4.1.12
-
In de oproeping wordt de verdachte erop gewezen:
bij welke rechtbank, op welke datum en op welk tijdstip de terechtzitting plaatsvindt;
welke getuigen, deskundigen, slachtoffers, personen die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kunnen uitoefenen of tolken worden opgeroepen;
dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken getuigen en deskundigen voor de terechtzitting te doen oproepen;
dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen naar de terechtzitting mee te brengen;
dat hij het recht heeft de voorzitter van de rechtbank te verzoeken om een tolk te doen oproepen;
dat de voorzitter van de rechtbank of de rechtbank de persoonlijke verschijning of de medebrenging van de verdachte kan bevelen indien het wenselijk wordt geacht dat hij bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting aanwezig is;
dat hij in het geval van artikel 4.2.2, eerste lid, in persoon op de terechtzitting moet verschijnen en dat zijn medebrenging is bevolen overeenkomstig artikel 4.1.7, tweede lid, dan wel dat de rechtbank, indien hij niet verschijnt, overeenkomstig artikel 4.2.13, tweede lid, zijn medebrenging kan bevelen.
-
Indien de voorzitter heeft bepaald dat sprake is van een regiezitting wordt dit vermeld in de oproeping. In dat geval wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen b, c en d, in de oproeping vermeld dat voor die terechtzitting geen getuigen en deskundigen worden opgeroepen dan wel met het oog op verhoor kunnen worden meegebracht.
-
Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem een vertaling van de oproeping uitgereikt of toegezonden dan wel wordt hij in een voor hem begrijpelijke taal in kennis gesteld van de plaats, de datum en het tijdstip van de terechtzitting en de informatie, omschreven in het eerste en tweede lid.
Artikel 4.1.13
-
Tussen de dag waarop de oproeping aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen. Deze termijn wordt als een termijn in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Algemene termijnenwet aangemerkt.
-
Indien de oproeping wordt betekend op de wijze bedoeld in artikel 1.9.12, tweede lid, kan de verdachte in de akte van uitreiking een ondertekende verklaring houdende zijn toestemming tot verkorting van deze termijn doen opnemen. Indien hij de verklaring niet kan ondertekenen, wordt de oorzaak daarvan in de akte vermeld.
Artikel 4.1.14
-
De voorzitter van de rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman beslissen dat de behandeling van de zaak wordt uitgesteld. Artikel 4.1.9 is van overeenkomstige toepassing.
-
De voorzitter stelt de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman van zijn beslissing in kennis. Hij bepaalt een nieuwe dag en tijdstip van de terechtzitting en beveelt de oproeping van de procesdeelnemers genoemd in artikel 4.1.11.
Artikel 4.1.15
-
Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan de officier van justitie de procesinleiding intrekken, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hij stelt de voorzitter van de rechtbank en de verdachte hiervan direct in kennis. Indien de verdachte al voor de terechtzitting is opgeroepen, stelt de officier van justitie de procesdeelnemers, genoemd in artikel 4.1.11, eveneens in kennis van de intrekking.
-
In het geval van intrekking van de procesinleiding stelt de officier van justitie de verdachte tevens ervan in kennis dat hij van voortzetting van de vervolging afziet. Door die kennisgeving eindigt de zaak. Artikel 3.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
In afwijking van het tweede lid kan de officier van justitie de verdachte direct ervan in kennis stellen dat hij voor het feit waarop de tenlastelegging betrekking heeft een strafbeschikking zal uitvaardigen.
-
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de officier van justitie met instemming van de voorzitter van de rechtbank de procesinleiding intrekt omdat hij van oordeel is dat:
de rechtbank onbevoegd is het feit te berechten en de vervolging bij een ander gerecht dient plaats te hebben; of
de zaak moet worden samengevoegd met een zaak waarin bij een andere rechtbank onderzoek is of wordt verricht.