-
De benadeelde partij kan zich voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting met haar vordering in het strafproces voegen door het indienen van het in artikel 1.5.13 bedoelde schadeformulier bij het parket dat in dat formulier wordt vermeld. De officier van justitie die de zaak ter berechting aanbrengt, doet in de procesinleiding opgave van de voeging.
-
Op de terechtzitting vindt de voeging plaats door de opgave van de vordering en de gronden waarop zij berust bij de rechtbank, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn requisitoir houdt. Deze opgave kan ook mondeling worden gedaan.
-
De benadeelde partij kan haar vordering tot de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting intrekken.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 4
Artikel 4.4.2
Indien het schadeformulier op een zodanig tijdstip is ingediend dat van de voeging geen opgave kan worden gedaan in de procesinleiding, stelt de officier van justitie de voorzitter van de rechtbank en zo mogelijk de verdachte en zijn raadsman zo spoedig mogelijk in kennis van de voeging. Hij maakt daarnaast van de voeging melding bij de voordracht van de zaak.
Artikel 4.4.3
Indien de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd, wordt in de Hoofdstukken 1, 2 en 3 onder slachtoffer en onder procespartijen ook de benadeelde partij begrepen.
Artikel 4.4.4
Indien naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij kennelijk niet-ontvankelijk is, kan zij zonder nader onderzoek van de vordering de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij uitspreken.
Artikel 4.4.5
-
De bevoegdheden die de benadeelde partij in deze afdeling worden toegekend, komen ook toe aan degene die haar bijstaat.
-
De benadeelde partij kan zowel op de terechtzitting als daaraan voorafgaand tot het bewijs van de ten gevolge van het strafbare feit geleden schade stukken overdragen, maar geen getuigen of deskundigen laten oproepen.
-
De benadeelde partij kan aan de getuigen en deskundigen vragen stellen, maar alleen over haar vordering tot schadevergoeding.
-
De benadeelde partij kan de voorzitter verzoeken het bevel, bedoeld in artikel 4.2.68, tweede of derde lid, te geven.
Artikel 4.4.6
-
De benadeelde partij kan haar vordering toelichten voordat de officier van justitie zijn requisitoir houdt. De voorzitter en de andere rechters kunnen de benadeelde partij en de verdachte vragen stellen met betrekking tot de vordering. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de officier van justitie.
-
De benadeelde partij kan het woord voeren over haar vordering telkens wanneer de officier van justitie het woord heeft gevoerd dan wel tot het voeren daarvan in de gelegenheid is gesteld.
Artikel 4.4.7
-
Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien de benadeelde partij haar vordering heeft ingetrokken of indien artikel 4.4.4 toepassing heeft gevonden.
-
Het eindvonnis bevat de beslissingen over de in het eerste lid genoemde punten. Artikel 4.3.22, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Artikel 4.3.12 is van toepassing op de benadeelde partij.
-
Indien de benadeelde partij bij de uitspraak van het eindvonnis aanwezig is, deelt de voorzitter haar mee of een rechtsmiddel tegen het eindvonnis openstaat en, zo ja, binnen welke termijn dat rechtsmiddel kan worden aangewend.
-
De officier van justitie brengt het eindvonnis na de ondertekening ervan ter kennis van de benadeelde partij.
Artikel 4.4.8
-
De griffier maakt van het onderzoek op de terechtzitting proces-verbaal op indien daartoe binnen drie maanden na de uitspraak een verzoek wordt gedaan door de benadeelde partij, tenzij met het opmaken van proces-verbaal geen redelijk belang is gediend.
-
De benadeelde partij kan binnen drie maanden nadat de uitspraak is gedaan verzoeken om het eindvonnis aan te vullen overeenkomstig artikel 4.3.23, derde lid. Aan een zodanig verzoek wordt gevolg gegeven tenzij daarmee geen redelijk belang is gediend.
Artikel 4.4.9
-
In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging van een niet tenuitvoergelegde straf of maatregel gevoegd wordt behandeld bij de berechting, vindt de voeging plaats doordat de officier van justitie die vordering samen met de procesinleiding bij de rechtbank indient. De officier van justitie doet van de voeging opgave in de procesinleiding.
-
Tot de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting kan de officier van justitie de vordering intrekken.
Artikel 4.4.10
Indien de verdachte onder toezicht van de reclassering staat, roept de officier van justitie de medewerker die daarmee is belast voor de terechtzitting op. Hij doet van het voornemen tot oproeping opgave in de procesinleiding.
Artikel 4.4.11
-
Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over haar bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie en over de gegrondheid van de vordering.
-
Het eindvonnis bevat de beslissingen over de in het eerste lid bedoelde punten. Artikel 4.3.22, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.4.12
-
De officier van justitie kan een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht zowel afzonderlijk bij de rechtbank indienen als voegen bij de berechting van het desbetreffende feit.
-
Indien de officier van justitie voornemens is de vordering afzonderlijk in te dienen, maakt hij dat, indien dit de verdachte niet eerder was gebleken, tijdens de berechting kenbaar bij zijn requisitoir.
Artikel 4.4.13
De officier van justitie draagt de stukken die voor de beoordeling van de vordering van belang zijn over aan de rechtbank.
Artikel 4.4.14
De officier van justitie kan de vordering intrekken tot de aanvang van het onderzoek op de zitting. Na intrekking kan de vordering niet opnieuw worden ingediend, tenzij deze was gevoegd bij de berechting en de officier van justitie de verdachte direct kennisgeeft van zijn voornemen de vordering afzonderlijk in te dienen.
Artikel 4.4.15
De rechtbank beraadslaagt naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek op de zitting over haar bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen, over de ontvankelijkheid van de officier van justitie, over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en, zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten en op welk bedrag de betalingsverplichting dient te worden vastgesteld.
Artikel 4.4.16
-
De rechtbank beoordeelt in geval van veroordeling of aannemelijk is dat de verdachte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ten aanzien waarvan hem op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht een betalingsverplichting kan worden opgelegd.
-
De rechtbank ontleent de schatting van het op geld waardeerbare voordeel aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.
-
Indien de betalingsverplichting wordt opgelegd in verband met een veroordeling wegens een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie is gesteld, kan bij de in het tweede lid bedoelde schatting worden vermoed dat:
uitgaven die de verdachte heeft gedaan in een periode van zes jaar voorafgaand aan het begaan van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten; of
voorwerpen die in een periode van zes jaar voorafgaand aan het begaan van dat misdrijf aan de verdachte zijn gaan toebehoren, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
-
De rechtbank kan ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte afwijken van de in het derde lid genoemde periode van zes jaar en een kortere periode in aanmerking nemen.
Artikel 4.4.17
-
De afzonderlijke indiening van de vordering vindt plaats uiterlijk twee jaar na een veroordeling in eerste aanleg, of, als de verdachte in eerste aanleg niet is veroordeeld, na een veroordeling in hoger beroep.
-
De bepalingen van Hoofdstuk 1 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
de procesinleiding in plaats van een opgave van het feit dat wordt tenlastegelegd en de wettelijke voorschriften waarbij het strafbaar is gesteld de vordering vermeldt;
de artikelen 4.1.11, derde lid, en 4.1.12, eerste lid, onderdeel g, niet van toepassing zijn.
Artikel 4.4.18
-
De bepalingen van Hoofdstuk 2 zijn van overeenkomstige toepassing voor zover daarvan in Afdeling 4.3.1 niet is afgeweken en met dien verstande dat:
de artikelen 4.2.27 en 4.2.28 niet van toepassing zijn op de vordering;
Afdeling 2.4.5 buiten toepassing blijft;
artikel 4.2.53 buiten toepassing blijft;
de officier van justitie bij de toepassing van artikel 4.2.48 een lijst overlegt van voorwerpen waarop beslag als bedoeld in artikel 2.7.4, eerste lid, onderdeel b, of tweede lid, is gelegd, voor zover daarbij geen bevel is gegeven als bedoeld in artikel 2.7.31;
de rechtbank uiterlijk zes weken na de sluiting van het onderzoek uitspraak doet.
-
De artikelen 4.3.8 en 4.3.9, 4.3.12 tot en met 4.3.17, 4.3.20, 4.3.21, eerste, vierde en vijfde lid, 4.3.22, eerste en derde lid, 4.3.23, eerste en derde lid, 4.3.26, 4.3.28, 4.3.29, alsmede 4.3.30 tot en met 4.3.32 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
het vonnis in afwijking van artikel 4.3.21, eerste lid, de beslissingen bevat over de punten in artikel 4.4.15 vermeld;
het vonnis dan wel de aanvulling in afwijking van artikel 4.3.23 de inhoud van de wettige bewijsmiddelen bevat waar de rechtbank de schatting van het op geld waardeerbare voordeel aan heeft ontleend.
Artikel 4.4.19
Het vonnis vervalt van rechtswege indien de berechting na het instellen van hoger beroep tegen het veroordelend vonnis eindigt in een onherroepelijk eindvonnis of eindarrest dat geen veroordeling inhoudt.
Artikel 4.4.20
Voeging van de vordering geschiedt doordat de officier van justitie de vordering samen met de procesinleiding bij de rechtbank indient. De officier van justitie doet van de voeging opgave in de procesinleiding.
Artikel 4.4.21
-
Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting beraadslaagt de rechtbank tevens over de punten in artikel 4.4.15 vermeld.
-
Het eindvonnis bevat de beslissingen over deze punten. Artikel 4.3.22, eerste en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.4.22
-
Indien behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting voor de behandeling van de zaak oplevert, kan de rechtbank ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte bevelen dat de vordering wordt afgesplitst van de berechting.
-
De rechtbank kan het bevel ook geven zonder nader onderzoek van de vordering.
-
Voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting komt gelijke bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank.
Artikel 4.4.23
-
De behandeling van de vordering na afsplitsing vindt plaats op de wijze in Afdeling 4.3.2 voorzien, behoudens het bepaalde in de volgende leden.
-
De verdachte wordt opgeroepen voor de zitting die door de voorzitter van de rechtbank voor de behandeling van de vordering is bepaald. Artikel 4.4.17, eerste lid, is op de oproeping van overeenkomstige toepassing.
-
De vordering vervalt van rechtswege indien nog geen oproeping heeft plaatsgevonden als de berechting is geëindigd in een uitspraak die geen veroordeling inhoudt.
-
De rechtbank kan bepalen dat de behandeling van de vordering wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het bevel tot afsplitsing.
-
Artikel 4.4.19 is van toepassing.
Artikel 4.4.24
-
De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de zitting niet is gesloten, met de verdachte een schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel.
-
Indien de schikking wordt aangegaan nadat de vordering is ingediend, trekt de officier van justitie die vordering in als het onderzoek op de zitting nog niet is aangevangen. In het andere geval verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering.