De officier van justitie kan indien het feit naar zijn oordeel bewijsbaar en strafbaar is, afzien van vervolging onder het stellen van bepaalde voorwaarden waaraan de verdachte binnen of gedurende een daarbij te bepalen termijn moet voldoen.
Bij de aan het gedrag van de verdachte te stellen voorwaarden behoort dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt. Ten behoeve van de naleving van de voorwaarden wordt bij de uitvoering daarvan de identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste en tweede lid.
Indien de verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, beslist de officier van justitie over het instellen van vervolging.
Indien de officier van justitie afziet van vervolging, stelt hij de verdachte die is verhoord van die beslissing direct in kennis. Door die kennisgeving eindigt de zaak.
De kennisgeving vermeldt op welke gronden van vervolging is afgezien en welke rechtsgevolgen volgens artikel 3.4.3, eerste lid, aan de kennisgeving zijn verbonden.
Na een kennisgeving van niet-vervolging kan de verdachte niet worden vervolgd voor hetzelfde feit, behalve in het geval dat:
nieuwe bezwaren bekend zijn geworden;
het gerechtshof een op grond van artikel 3.5.1 gedaan beklag gegrond verklaart en de opsporing van het feit waarop het beklag betrekking heeft of vervolging van de verdachte beveelt.
Als nieuwe bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van getuigen, deskundigen of van de verdachte, of andere uit wettige bewijsmiddelen blijkende omstandigheden die niet eerder zijn onderzocht of die na het nemen van de beslissing tot niet-vervolging bekend zijn geworden.
Tot vervolging wordt in geval van nieuwe bezwaren niet overgegaan dan na een ter zake van die bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek. De officier van justitie kan het opsporingsonderzoek alleen instellen na een daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris. Artikel 2.1.14 is van overeenkomstige toepassing.
De officier van justitie stelt de verdachte die een kennisgeving van niet-vervolging heeft ontvangen, in kennis van de instelling van het opsporingsonderzoek, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
Indien voor het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd of een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet-vervolging.