Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 6

Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam

Artikel 2.6.1

De volgende bevelen van de officier van justitie als bedoeld in dit hoofdstuk worden afzonderlijk vastgelegd:

  1. een bevel voor het geven waarvan een machtiging van de rechter-commissaris is vereist;

  2. een bevel als bedoeld in artikel 2.6.24, voor zover het bevel op een sectie of een ander geneeskundig onderzoek betrekking heeft.

Artikel 2.6.2

De bevoegdheden, omschreven in de artikelen 2.6.6 tot en met 2.6.8, 2.6.10 tot en met 2.6.18, 2.6.20 en 2.6.21, kunnen ten aanzien van een verdachte alleen worden uitgeoefend als hij is opgehouden voor onderzoek of in verzekering of in voorlopige hechtenis is gesteld. Deze bevoegdheden kunnen ook in geval van staandehouding of aanhouding van de verdachte worden uitgeoefend indien dat in die artikelen is bepaald.

Artikel 2.6.3

  1. Een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk kan alleen met toestemming van betrokkene worden verricht indien hij voorafgaand aan het geven van zijn toestemming op het doel van het onderzoek en op de gevolgen van het geven van toestemming is gewezen. De toestemming voor dit onderzoek wordt vooraf, afzonderlijk vastgelegd. De vorige twee zinnen zijn niet van toepassing in geval met toestemming van betrokkene een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, eerste lid, 2.6.7, eerste lid, 2.6.12 en 2.6.16, wordt verricht.

  2. Voor een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk kan de toestemming alleen worden gevraagd door de functionaris die op grond van de Titels 6.2 tot en met 6.5 bevoegd is om het bevel tot dat onderzoek te geven. De vorige zin is niet van toepassing op het vragen van toestemming voor een onderzoek als bedoeld in de artikelen 2.6.6, eerste lid, 2.6.7, eerste lid, 2.6.9, eerste tot en met derde lid, 2.6.10, eerste lid, 2.6.11, eerste en tweede lid, 2.6,12, 2.6.15, eerste lid, en 2.6.16.

  3. Een onderzoek als bedoeld in dit hoofdstuk dat met toestemming van betrokkene wordt verricht, wordt door dezelfde functionaris verricht als de functionaris die daartoe op grond van dit hoofdstuk bevoegd is.

  4. Op een onderzoek dat met toestemming van betrokkene wordt verricht, zijn de regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.6.5 zijn gesteld, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6.4

Een onderzoek als bedoeld in Titel 6.5 kan alleen met toestemming van een persoon die behoort tot een groep van vijftien of meer personen waarbinnen de mogelijke dader van het misdrijf of een familielid van de mogelijke dader kan worden gevonden, worden verricht indien:

  1. er sprake is van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld of van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 109, 110, 141, tweede lid, onderdeel 1°, 181, onderdeel 2°, 182, 247, 248a, 248b, 249, 281, eerste lid, onderdeel 1°, 290, 300, tweede en derde lid, en 301, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht; en

  2. de rechter-commissaris daartoe een machtiging heeft verleend.

Artikel 2.6.5

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verrichten van een onderzoek als bedoeld in de Titels 6.2 tot en met 6.6.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen de technische hulpmiddelen worden aangewezen waarvan bij het verrichten van een onderzoek als bedoeld in de Titels 6.2 en 6.3 kan worden gebruikgemaakt.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt het lichaams- of celmateriaal aangewezen waaraan een onderzoek als bedoeld in Titel 6.5 kan worden verricht.

  4. In het geval de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, regels stelt over het verrichten van onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17 geldt dat de voordracht van die algemene maatregel van bestuur niet eerder wordt gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 2.6.6

  1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte die is staande gehouden of aangehouden, ter vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding onderzoeken en de voorwerpen onderzoeken die hij met zich voert. Bij de verdachte die is aangehouden, kan dat onderzoek tevens ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit dienen.

  2. Onder het onderzoek aan de kleding wordt verstaan: het aftasten en het doorzoeken van de kleding en het geheel of gedeeltelijk laten ontdoen of ontdoen van de kleding met dien verstande dat dat onderzoek in geval van een staande gehouden verdachte alleen het aftasten en doorzoeken van de kleding omvat.

  3. Indien het onderzoek aan de kleding het geheel of gedeeltelijk laten ontdoen of ontdoen van de kleding omvat waardoor intieme delen van het lichaam worden ontbloot, kan de opsporingsambtenaar dat onderzoek alleen op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier van justitie verrichten.

  4. Bij dringende noodzaak kan het bevel achterwege blijven. In dat geval doet de opsporingsambtenaar de officier van justitie of de hulpofficier van justitie direct mededeling van het onderzoek.

  5. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat de opsporingsambtenaar een derde ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit aan zijn kleding onderzoekt en de voorwerpen onderzoekt die hij met zich voert. Het bevel wordt niet eerder gegeven dan nadat die persoon is gehoord.

Artikel 2.6.7

  1. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan bevelen dat de opsporingsambtenaar of een deskundige de verdachte die is aangehouden, ter vaststelling van zijn identiteit of van de aanwezigheid van lichamelijke kenmerken, ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit aan zijn lichaam onderzoekt.

  2. Onder het onderzoek aan het lichaam wordt verstaan: het uitwendig schouwen van het lichaam, met uitzondering van de openingen en holten van het onderlichaam.

  3. Bij dringende noodzaak kan het bevel achterwege blijven. In dat geval doet de opsporingsambtenaar de officier van justitie of de hulpofficier van justitie direct mededeling van het onderzoek.

  4. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie, indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, bevelen dat de opsporingsambtenaar een derde ter vaststelling van de aanwezigheid van lichamelijke kenmerken, ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit aan zijn lichaam onderzoekt. Het bevel wordt niet eerder gegeven dan nadat die persoon is gehoord.

Artikel 2.6.8

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat de verdachte ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporen van het strafbare feit in zijn lichaam wordt onderzocht.

  2. Onder het onderzoek in het lichaam wordt verstaan: het uitwendig en inwendig schouwen en onderzoeken van de openingen en holten van het onderlichaam, het inwendig schouwen en onderzoeken van de openingen en holten van het bovenlichaam of het verrichten van niet-invasief beeldvormend onderzoek en dat onderzoek niet met een technisch hulpmiddel wordt verricht waarbij röntgenstralen worden gebruikt als gevolg waarvan dat onderzoek risico’s voor de gezondheid kan opleveren.

  3. Het onderzoek in het lichaam wordt verricht door een arts of door een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen medisch deskundige. Zo nodig kan de arts of de medisch deskundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.

  4. Indien de verdachte zich tegen het onderzoek in het lichaam verzet of dat onderzoek uitwijst dat hij voorwerpen of sporen van een strafbaar feit in zijn lichaam draagt die niet met behulp van een onderzoek in het lichaam kunnen worden verwijderd of die niet kunnen worden verwijderd zonder negatieve gevolgen voor de veiligheid of de gezondheid van de verdachte of zonder risico op beschadiging van de voorwerpen of sporen, kan de officier van justitie bevelen dat hij in een observatiecel wordt geplaatst.

Artikel 2.6.9

  1. De opsporingsambtenaar kan van de verdachte die is staande gehouden, indien twijfel over zijn identiteit bestaat, een of meer vingerafdrukken nemen.

  2. De opsporingsambtenaar neemt van de verdachte die is aangehouden wegens verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en van de verdachte die wegens verdenking van een dergelijk misdrijf wordt verhoord zonder dat hij is aangehouden ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken.

  3. In geval van verdenking van een ander strafbaar feit beveelt de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de opsporingsambtenaar dat hij van de verdachte die wegens dat strafbare feit is aangehouden of wordt verhoord zonder dat hij daarvoor is aangehouden, een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken neemt indien er twijfel over zijn identiteit bestaat.

  4. In de gevallen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden ter vaststelling van de identiteit van de verdachte tevens zijn vingerafdrukken vergeleken met de van verdachten overeenkomstig dit wetboek verwerkte vingerafdrukken en, indien wordt vermoed dat de verdachte een vreemdeling is, met de overeenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 verwerkte vingerafdrukken.

  5. Indien de verdachte zich tegen de afname van zijn vingerafdrukken of gezichtsopnamen verzet, kunnen de vingerafdrukken of gezichtsopnamen van de verdachte op andere wijze worden verkregen.

Artikel 2.6.10

  1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte die is aangehouden wegens verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld of van een misdrijf als omschreven in de artikelen 307, eerste lid, en 308 van het Wetboek van Strafrecht bevelen mee te werken aan:

    1. een voorlopig ademonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het vermoedelijk gebruik van alcohol;

    2. een onderzoek van speeksel of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het vermoedelijk gebruik van andere middelen dan alcohol die tot gewelddadig gedrag kunnen leiden en bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.

  2. Het bevel wordt alleen gegeven indien:

    1. de verdenking betrekking heeft op een misdrijf dat bestaat of mede bestaat uit het plegen van geweld tegen personen of goederen, uit bedreiging met geweld of het uitoefenen van dwang of op een misdrijf dat een aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon inhoudt en

    2. er aanwijzingen zijn dat de verdachte het misdrijf heeft begaan terwijl hij onder invloed was van alcohol of andere middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  3. Het bevel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt, voor zover het betrekking heeft op een voorlopig ademonderzoek, niet gericht tegen de verdachte van wie aannemelijk is dat het verlenen van medewerking aan dat onderzoek voor hem vanwege bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is.

Artikel 2.6.11

  1. De opsporingsambtenaar kan de verdachte ten aanzien van wie op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.10, eerste lid, onderdeel a, het vermoeden bestaat dat hij onder invloed verkeert van alcohol en de hoeveelheid alcohol boven de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen grenswaarde uitkomt, of ten aanzien van wie op andere wijze dat vermoeden is ontstaan, bevelen zijn medewerking te verlenen aan een nader onderzoek van uitgeademde lucht.

  2. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie kan de verdachte bevelen zijn medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek indien het verrichten van een nader ademonderzoek bij hem vanwege bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is, indien zijn medewerking niet heeft geleid tot een voltooid nader ademonderzoek of indien op grond van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.10, eerste lid, onderdeel b, het vermoeden bestaat dat hij onder invloed verkeert van een of meer middelen als bedoeld in dat artikelonderdeel of een combinatie van die middelen met alcohol en de hoeveelheid van dat middel of die middelen boven de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen grenswaarde uitkomt.

  3. Het bloed dat voor het onderzoek benodigd is, wordt afgenomen door een arts of verpleegkundige. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.

Artikel 2.6.12

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat de opsporingsambtenaar ten behoeve van een vergelijkend onderzoek:

    1. van de verdachte of een deel van zijn lichaam de maten opneemt;

    2. van de verdachte of een deel van zijn lichaam of kleding een of meer beeldopnamen maakt; of

    3. van de verdachte een of beide schoenen uitdoet en van de zool of zolen daarvan een of meer afdrukken verwerkt.

  2. Een bevel op grond van het eerste lid, onderdeel b, of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan achterwege blijven indien het naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is dat de beeldopnamen buiten medeweten van de verdachte worden verkregen of indien de verdachte zich tegen die opnamen verzet of vermist is. In dat geval kan het vergelijkend onderzoek worden verricht met behulp van opnamen die op andere wijze zijn verkregen.

  3. Indien de beeldopnamen buiten medeweten van de verdachte zijn verkregen en ten behoeve van een vergelijkend onderzoek zijn gebruikt, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het vergelijkend onderzoek in kennis.

  4. De officier van justitie kan bevelen dat van de verdachte ten behoeve van een beeldopname zijn hoofdhaar, snor of baard wordt afgeschoren of afgeknipt of dat hij zijn hoofdhaar, snor of baard laat groeien.

Artikel 2.6.13

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat van de verdachte ten behoeve van een vergelijkend onderzoek een of meer afdrukken of indrukken van delen van zijn lichaam worden genomen.

  2. Het bevel wordt uitgevoerd door een opsporingsambtenaar met uitzondering van het nemen van een afdruk van het gebit van de verdachte. In dat geval wordt het bevel uitgevoerd door een tandarts. Zo nodig kan de tandarts daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.

  3. Het bevel of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan achterwege blijven indien het naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is dat de lichaamsafdrukken of -indrukken van de verdachte buiten zijn medeweten worden verkregen of indien de verdachte zich tegen de afname van zijn lichaamsafdrukken of -indrukken verzet of vermist is. In dat geval kan het vergelijkend onderzoek worden verricht aan de lichaamsafdrukken of -indrukken die op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig zijn of op andere wijze verkregen zijn, mits voldoende zekerheid bestaat dat die lichaamsafdrukken of -indrukken van hem afkomstig zijn.

  4. Indien de lichaamsafdrukken of -indrukken buiten medeweten van de verdachte zijn verkregen en ten behoeve van een vergelijkend onderzoek zijn gebruikt, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het vergelijkend onderzoek in kennis.

  5. Indien wordt vermoed dat een derde is vermist wegens een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat aan de lichaamsafdrukken of -indrukken van de derde op de wijze, bedoeld in het derde lid, laatste zin, een vergelijkend onderzoek wordt verricht.

Artikel 2.6.14

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte:

    1. haar wordt afgenomen ten behoeve van een vergelijkend haaronderzoek;

    2. haar wordt afgenomen ten behoeve van een isotopenonderzoek;

    3. onverminderd de artikelen 2.6.10, eerste lid, en 2.6.11, tweede lid, lichaamsmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een toxicologisch onderzoek; of

    4. onverminderd artikel 2.6.20, eerste lid, lichaamsmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een microbiologisch onderzoek.

  2. Het bevel wordt uitgevoerd door een arts of een verpleegkundige. Zo nodig kan de arts of verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. Het bevel kan in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen door een opsporingsambtenaar worden uitgevoerd.

Artikel 2.6.15

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie de verdachte bevelen:

    1. een tekst op te schrijven ten behoeve van een vergelijkend handschriftonderzoek;

    2. een tekst uit te spreken ten behoeve van een vergelijkend spraakonderzoek of een confrontatie; of

    3. een lichaamshouding aan te nemen, een stuk te lopen en dat zo nodig op een bepaalde wijze te doen, bepaalde kleding of attributen te dragen of uit te doen of andere aanwijzingen op te volgen ten behoeve van een gezichtsopname als bedoeld in artikel 2.6.9, tweede en derde lid, of van een beeldopname als bedoeld in artikel 2.6.12, eerste lid, onderdeel b, of ten behoeve van een confrontatie of een vergelijking met beeldopnamen.

  2. Het bevel of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, tot het verrichten van een vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek blijft achterwege indien het handschrift of een opname met de spraak van de verdachte op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig is of op andere wijze verkregen is, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat handschrift of die spraak van hem afkomstig is. Indien dat naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is of de verdachte vermist is, kan het vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek, bedoeld in de vorige zin, buiten medeweten van de verdachte worden verricht.

  3. Indien het vergelijkend handschrift- of spraakonderzoek buiten medeweten van de verdachte is verricht, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het vergelijkend onderzoek in kennis.

Artikel 2.6.16

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelen dat de opsporingsambtenaar een confrontatie van de getuige met de verdachte houdt die is gericht op het vaststellen of de getuige de verdachte al dan niet herkent. Ten behoeve van de confrontatie kan de verdachte te midden van op hem lijkende personen worden opgesteld.

  2. De officier van justitie kan bevelen dat van de verdachte ten behoeve van de confrontatie zijn hoofdhaar, snor of baard wordt afgeschoren of afgeknipt of dat hij zijn hoofdhaar, snor of baard laat groeien.

Artikel 2.6.17

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vaststellen of het uit dat celmateriaal bepaalde DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van een of meer veiliggestelde sporen of met een of meer van de op grond van deze afdeling of de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden verwerkte DNA-profielen.

  2. In geval van verdenking van een strafbaar feit kan de officier van justitie een DNA-onderzoek bevelen dat gericht is op het vaststellen of het DNA-profiel van een of meer veiliggestelde sporen overeenkomt met verder verwerkte DNA-profielen. Deze bevoegdheid kan ook door de hulpofficier van justitie worden uitgeoefend voor zover er sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 310 en 311, eerste lid, onderdelen 1°, 4° en 5°, van het Wetboek van Strafrecht en het DNA-onderzoek betrekking heeft op veiliggestelde sporen die vermoedelijk van de dader van dat misdrijf afkomstig zijn.

  3. Celmateriaal wordt alleen van de verdachte afgenomen, nadat van hem een of meer gezichtsopnamen en vingerafdrukken zijn genomen en verder verwerkt en zijn identiteit is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8.

  4. Een arts, een verpleegkundige of een opsporingsambtenaar neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen. De bevoegdheid van de opsporingsambtenaar is beperkt tot de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

  5. Een bevel op grond van het eerste lid of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan achterwege blijven indien het naar het oordeel van de officier van justitie in het belang van het onderzoek is dat het celmateriaal van de verdachte buiten zijn medeweten wordt verkregen of indien de verdachte zich tegen de afname van zijn celmateriaal verzet of vermist is. In dat geval kan het DNA-onderzoek worden verricht aan het celmateriaal dat op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig is of op andere wijze verkregen is, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat celmateriaal van de verdachte afkomstig is.

  6. Indien het celmateriaal buiten medeweten van de verdachte is verkregen en ten behoeve van een DNA-onderzoek is gebruikt, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het DNA-onderzoek in kennis.

  7. Indien wordt vermoed dat een derde is vermist wegens een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, kan de officier van justitie bevelen dat aan het celmateriaal van de derde op de wijze, bedoeld in het vijfde lid, laatste zin, een DNA-onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt verricht.

Artikel 2.6.18

  1. De officier van justitie kan een DNA-onderzoek bevelen dat is gericht op het vaststellen van verwantschap tussen twee of meer donoren van verwerkte DNA-profielen. Het verbod om genetische gegevens te verwerken is in dat geval niet van toepassing.

  2. Het bevel kan worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Indien het DNA-onderzoek aan de hand van het merendeel of alle verwerkte DNA-profielen wordt verricht, kan het bevel alleen worden gegeven onder de in artikel 2.6.4, onderdelen a en b, omschreven voorwaarden.

  3. Indien een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17, eerste lid, leidt tot het vaststellen van verwantschap, kan dit resultaat worden gebruikt voor het opsporen en vervolgen van het misdrijf in het kader waarvan de verwantschap is vastgesteld.

  4. Celmateriaal dat is verwerkt ten behoeve van een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.17, eerste lid, of een DNA-onderzoek als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, en de daaruit bepaalde DNA-profielen mogen worden gebruikt voor een DNA-onderzoek dat is gericht op het vaststellen van verwantschap. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte ten behoeve van dat DNA-onderzoek celmateriaal wordt afgenomen.

  5. Indien van een minderjarige persoon die niet de verdachte is vermoed wordt dat hij slachtoffer is van een misdrijf als omschreven in de artikelen 197a, 242, 243, 244, 245, 246, 247, 248, 248a, 248b, 249, 256, 273f, 278, 287, 289, 290 en 291 van het Wetboek van Strafrecht, kan de officier van justitie na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris bevelen dat van hem celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een DNA-onderzoek dat gericht is op het vaststellen van verwantschap.

Artikel 2.6.19

  1. In geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, kan de officier van justitie bevelen dat met gebruikmaking van celmateriaal dat is afgenomen van het slachtoffer van wie de identiteit onbekend is of van veiliggestelde sporen waarvan wordt vermoed dat die afkomstig zijn van de dader van het misdrijf, een DNA-onderzoek wordt verricht dat gericht is op het vaststellen van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen uiterlijk waarneembare persoonskenmerken.

  2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 2.6.20

  1. In geval van een misdrijf waarbij er aanwijzingen zijn dat op het slachtoffer van dat misdrijf een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige besmettelijke ziekte kan zijn overgedragen, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte of van een derde in geval van aanwijzingen dat een dergelijke ziekte met behulp van het celmateriaal van die persoon op het slachtoffer kan zijn overgedragen, celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van een onderzoek dat gericht is op het vaststellen of hij drager van die ziekte is.

  2. Het bevel kan alleen na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris worden gegeven.

  3. Een arts of een verpleegkundige neemt het celmateriaal af. Zo nodig kan de arts of de verpleegkundige daarbij de hulp van een opsporingsambtenaar inroepen.

  4. Het bevel of de tenuitvoerlegging of de verdere tenuitvoerlegging daarvan kan achterwege blijven indien de verdachte zich tegen de afname van zijn celmateriaal verzet of vermist is. In dat geval kan het onderzoek worden verricht aan veiliggestelde sporen of het celmateriaal dat op een inbeslaggenomen voorwerp aanwezig is of op andere wijze verkregen is, mits voldoende zekerheid bestaat dat dat celmateriaal van de verdachte afkomstig is.

  5. Indien het celmateriaal buiten medeweten van de verdachte is verkregen en ten behoeve van het onderzoek is gebruikt, stelt de officier van justitie hem, zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, daarvan en van de uitslag van het onderzoek in kennis.

  6. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de derde ten aanzien van wie vermoed wordt dat hij als gevolg van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, vermist is.

Artikel 2.6.21

  1. Indien de uitslag van het onderzoek negatief is, kan de officier van justitie bevelen dat van de verdachte opnieuw celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het herhalen van het onderzoek.

  2. Het bevel kan alleen na een daartoe verleende machtiging van de rechter-commissaris worden gegeven.

  3. Artikel 2.6.20, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.6.22

Indien de uitslag van het onderzoek of het herhaalde onderzoek positief is en uitwijst dat het slachtoffer met dezelfde ziekte besmet is als de verdachte of de derde, kan de officier van justitie bevelen dat een onderzoek wordt verricht aan het op grond van artikel 2.6.20 verkregen celmateriaal, dat is gericht op het vaststellen of die ziekte daadwerkelijk op het slachtoffer is overgedragen.

Artikel 2.6.23

  1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in artikel 2.6.20, eerste lid, kan de officier van justitie verzoeken een onderzoek als bedoeld in deze afdeling te bevelen.

  2. De officier van justitie stelt het slachtoffer binnen twaalf uur nadat hij het verzoek heeft ontvangen, in kennis van zijn beslissing. De beslissing is gemotiveerd.

Artikel 2.6.24

  1. De officier van justitie kan bevelen dat aan een inbeslaggenomen overleden verdachte, aan een inbeslaggenomen overleden persoon ten aanzien van wie vermoed wordt dat hij slachtoffer is van het misdrijf dat tot de inbeslagneming heeft geleid, of aan een inbeslaggenomen lichaamsdeel van een overleden verdachte of slachtoffer, een sectie of een ander geneeskundig onderzoek wordt verricht, en, al dan niet in het kader daarvan, een of meer onderzoeken als bedoeld in de Titels 6.2 tot en met 6.5 worden verricht.

  2. Voor het verrichten van een sectie of een onderzoek kan ieder lichaamsmateriaal of iedere lichaamsafdruk worden afgenomen en gebruikt dat daarvoor nodig is. Een onderzoek in het lichaam kan gericht zijn op het meten van de temperatuur in de openingen of holten van het onderlichaam.

  3. Het bevel wordt uitgevoerd door een arts. Het bevel kan in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen door een opsporingsambtenaar worden uitgevoerd.

  4. Een overleden verdachte of slachtoffer of een lichaamsdeel van een overleden verdachte of slachtoffer kan op grond van de in Afdeling 7.2.2 voorziene bevoegdheden ook worden inbeslaggenomen bij verdenking van het in artikel 307, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

Artikel 2.6.25

  1. De rechter-commissaris kan, binnen de grenzen die aan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheden zijn gesteld:

    1. de in dit hoofdstuk omschreven bevoegdheden uitoefenen indien hij onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4 en

    2. de in de artikelen 2.6.6 en 2.6.7 omschreven bevoegdheden uitoefenen in geval van een doorzoeking als bedoeld in artikel 2.7.69, eerste lid.

  2. Artikel 2.6.1 is van overeenkomstige toepassing op bevelen die de rechter-commissaris bij de toepassing van het eerste lid geeft.

Artikel 2.6.26

  1. De officier van justitie kan bij de rechtbank beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van dit hoofdstuk.

  2. De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.

Artikel 2.6.27

  1. Het slachtoffer kan tegen een weigering van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.23, eerste lid, bij de rechter-commissaris een bezwaarschrift indienen.

  2. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is twee weken na de weigering, bedoeld in het eerste lid.

  3. Artikel 1.2.31 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene van wie onderzoek wordt verlangd.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering