-
De officier van justitie kan de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing geven in geval van verdenking van een strafbaar feit:
waardoor de openbare orde, gezien de aard van het strafbaar feit of de samenhang met andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbaar feit is begaan, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat;
in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen; of
in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert.
-
De gedragsaanwijzing kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
zich niet op te houden in een bepaald gebied;
zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon;
zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar;
zich te doen begeleiden bij hulpverlening die van invloed kan zijn op het begaan van strafbare feiten door de verdachte.
-
De gedragsaanwijzing wordt in persoon aan de verdachte betekend, onder vermelding van de datum van ingang en de periode gedurende welke de gedragsaanwijzing van kracht blijft, en van de redenen die tot de gedragsaanwijzing hebben geleid.
-
De gedragsaanwijzing blijft ten hoogste drie maanden van kracht dan wel, indien dit een kortere periode betreft, totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De gedragsaanwijzing kan drie keer worden verlengd met een periode van drie maanden. Elke verlenging wordt in persoon aan de verdachte betekend. Verlenging is niet mogelijk indien tegen de verdachte geen vervolging is ingesteld. De gedragsaanwijzing blijft van kracht uiterlijk totdat het ter zake van het strafbaar feit gewezen eindvonnis of eindarrest of de ter zake van het strafbaar feit uitgevaardigde strafbeschikking onherroepelijk is geworden. De rechter voor wie de verdachte is opgeroepen te verschijnen, kan de gedragsaanwijzing wijzigen. De rechter kan de gedragsaanwijzing opheffen indien hij van oordeel is dat niet of niet langer wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden voor het geven van de gedragsaanwijzing.
-
De verdachte kan tegen de gedragsaanwijzing en een verlenging daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank, die zo spoedig mogelijk beslist. De verdachte kan zich door een raadsman laten bijstaan.
-
De officier van justitie wijzigt de gedragsaanwijzing of trekt die in indien nieuwe feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 5
Artikel 6.5.2
-
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie, na een daartoe door de rechter-commissaris verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar alle personen die wederrechtelijk vertoeven op een plaats als in die artikelen bedoeld, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, verwijdert of doet verwijderen. De opsporingsambtenaar kan daartoe de desbetreffende plaats betreden.
-
Artikel 2.1.14 is van overeenkomstige toepassing op de machtiging van de rechter-commissaris.
-
De rechter-commissaris beslist binnen drie dagen na de indiening van de vordering van de officier van justitie. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. Bij dringende noodzaak beslist de rechter-commissaris zonder de personen te hebben gehoord.
-
Van een dringende noodzaak als bedoeld in het derde lid is in elk geval sprake in de situatie dat een verdachte van het misdrijf als omschreven in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht:
tevens wordt verdacht van het misdrijf als omschreven in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht;
tevens wordt verdacht van een strafbaar feit waardoor de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, wordt getroffen;
een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid veroorzaakt in de omgeving van de woning of het gebouw, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht;
een gevaarlijke situatie veroorzaakt door het wederrechtelijk vertoeven, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht.
-
De beslissing van de rechter-commissaris is gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend. De beslissing wordt direct ter kennis gebracht van de officier van justitie en de personen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6.5.3
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van deze titel.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.4
-
Het bevel van de officier van justitie, bedoeld in artikel 6.5.2, eerste lid, is dadelijk uitvoerbaar. De personen, bedoeld in artikel 6.5.2, eerste lid, kunnen beroep instellen tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.5
-
De opsporingsambtenaar belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de artikelen 437, 437bis of 437ter van het Wetboek van Strafrecht, heeft toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij wordt gebruikt door een handelaar genoemd in die artikelen.
-
De opsporingsambtenaar heeft ook toegang tot elke plaats waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat een misdrijf als omschreven in de artikelen 92 tot en met 96, 97a tot en met 98c, 240, 240a, 240b, 248a, 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht wordt begaan.
Artikel 6.5.6
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar voorwerpen onderzoekt en aan opneming onderwerpt en daarvan monsters neemt. De opsporingsambtenaar kan daartoe verpakkingen openen.
-
Indien het onderzoek, de opneming of de monsterneming niet ter plaatse kan plaatsvinden, kan de opsporingsambtenaar de voorwerpen voor dat doel voor korte tijd meenemen. Hiervan wordt direct een bewijs uitgereikt aan degene ten aanzien van wie de bevoegdheid is uitgeoefend, tenzij dit feitelijk onmogelijk is.
-
Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste twaalf uur, voor een daarbij omschreven gebied. De geldigheidsduur kan telkens met ten hoogste twaalf uur worden verlengd.
-
In bij algemene maatregel van bestuur aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan voor de uitoefening van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid onder bij die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden een bevel van de officier van justitie achterwege blijven.
Artikel 6.5.7
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar vervoermiddelen onderzoekt.
-
Ter uitvoering van het bevel kan een opsporingsambtenaar:
vervoermiddelen op hun lading onderzoeken;
de bestuurder van een vervoermiddel bevelen inzage te geven van de wettelijk voorgeschreven bescheiden met betrekking tot de lading;
de bestuurder van een vervoermiddel bevelen dat deze zijn vervoermiddel stilhoudt en naar een door hem aangewezen plaats overbrengt.
-
Artikel 6.5.6, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.8
-
In geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf kan de officier van justitie bevelen dat een opsporingsambtenaar personen aan de kleding onderzoekt.
-
Ter uitvoering van het bevel kan een opsporingsambtenaar gebruikmaken van detectieapparatuur of andere hulpmiddelen.
-
Artikel 6.5.6, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van uitvoering van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 6.5.9
-
In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen, kan een opsporingsambtenaar, op vertoon van een bewijs van de daartoe gegeven machtiging van de rechter-commissaris, met als doel om met het oog op de oplegging van een ontnemingsmaatregel inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van de verdachte, opeenvolgend of gelijktijdig aan een ieder bevelen:
hem opgave te doen of inzage of kopie te geven van stukken of van gegevens, niet zijnde gegevens als bedoeld in artikel 2.7.46, derde lid;
op te geven of, en zo ja welke, vermogensbestanddelen hij onder zich heeft of heeft gehad, welke toebehoren of hebben toebehoord aan de verdachte;
en aldus verstrekte stukken in beslag te nemen.
-
Een bevel wordt niet gegeven aan de verdachte.
-
Het bevel kan alleen worden gegeven na een daartoe op vordering van de officier van justitie verleende machtiging van de rechter-commissaris. De machtiging geldt voor een periode van ten hoogste een jaar en kan op vordering van de officier van justitie telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.
-
De opsporingsambtenaar die het bevel geeft kan de persoon tot wie het is gericht tevens bevelen dat hij geheimhouding in acht neemt over datgene wat hem met betrekking tot dat bevel bekend is.
-
Op een bevel als bedoeld in het eerste en vierde lid is artikel 2.7.44 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.10
-
In geval van een machtiging van de rechter-commissaris tot inbeslagneming van voorwerpen die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel als bedoeld in artikel 2.7.19 kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie bepalen dat de desbetreffende voorwerpen op grond van deze machtiging zonder verdere rechterlijke tussenkomst gedurende een in die machtiging omschreven periode telkens kunnen worden inbeslaggenomen.
-
Artikel 6.5.9, derde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.5.11
De in de artikelen 2.7.12, 2.7.13 en 2.7.69 omschreven bevoegdheden kunnen, wanneer zij worden uitgeoefend ter inbeslagneming van de in de artikelen 6.5.9 en 6.5.10 bedoelde stukken en voorwerpen, ook worden uitgeoefend in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen.
Artikel 6.5.12
-
De officier van justitie kan beroep instellen tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering op grond van deze titel.
-
De termijn voor het instellen van beroep is twee weken na de dagtekening van de beslissing. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk.
Artikel 6.5.13
-
Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b en c, kan op of aan de openbare weg kentekengegevens van voertuigen als bedoeld in het tweede lid met behulp van een technisch hulpmiddel vastleggen, met als doel deze gegevens met toepassing van het derde lid te kunnen raadplegen. De aanwezigheid van het technisch hulpmiddel wordt op duidelijke wijze kenbaar gemaakt.
-
Onder kentekengegevens als bedoeld in dit artikel worden verstaan het kenteken van het voertuig, de foto-opname van het voertuig en de locatie en het tijdstip waarop de vastlegging plaatsvindt.
-
De officier van justitie kan bevelen dat een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar de kentekengegevens raadpleegt:
in geval van verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, ten behoeve van de opsporing van dat misdrijf; of
ten behoeve van de aanhouding, bedoeld in artikel 6:1:6.
-
De kentekengegevens worden een maand na de datum van vastlegging vernietigd.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de inzet van een technisch hulpmiddel en de vastlegging van de kentekengegevens.
-
De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers van de Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 6.5.14
-
Indien een ambtenaar, aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, in de uitoefening van zijn functie geweld heeft gebruikt, kan de officier van justitie bevelen dat een feitenonderzoek wordt ingesteld. De officier van justitie stelt de betrokken ambtenaar daarvan in kennis.
-
Een feitenonderzoek is gericht op de beoordeling of het geweld is gebruikt overeenkomstig de geweldsinstructie.
-
De artikelen 1.5.1 tot en met 1.5.7 en 1.5.14 zijn gedurende het feitenonderzoek voor zover relevant van overeenkomstige toepassing.
-
Met een ambtenaar aan wie bij of krachtens artikel 7, eerste, achtste of negende lid, van de Politiewet 2012 of artikel 6, eerste lid, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend, wordt ten aanzien van het eerste lid gelijkgesteld een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat die in Nederland op door het volkenrecht toegelaten wijze zijn bediening uitoefent en aan wie de bevoegdheid geweld te gebruiken is toegekend.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het feitenonderzoek.
Artikel 6.5.15
-
In het feitenonderzoek kan de officier van justitie, of, indien de artikelen de hulpofficier van justitie of de opsporingsambtenaar als bevoegd aanwijzen, deze ambtenaar, de in de artikelen 2.4.1, eerste en tweede lid, 2.6.7, eerste lid, 2.7.3, 2.7.8 tot en met 2.7.13, 2.7.37, eerste lid, 2.7.46, 2.7.67, bedoelde bevoegdheden uitoefenen en kan de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de bevoegdheden van de artikelen 2.7.68 en 2.7.69 uitoefenen. De artikelen 2.7.4, onderdeel a, 2.7.5 en 2.7.17 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
Een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.9, eerste lid, en 2.7.47, eerste en vierde lid, wordt niet gericht aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid.
-
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden kunnen slechts worden uitgeoefend indien:
het geweldgebruik, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid, lichamelijk letsel of de dood tot gevolg heeft gehad;
de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid in redelijke verhouding staat tot de aard van het geweldgebruik ter beoordeling waarvan het feitenonderzoek is ingesteld;
het vergaren van gegevens voor het feitenonderzoek door uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid niet op een andere, minder ingrijpende wijze mogelijk is.
Artikel 6.5.16
-
Op basis van het feitenonderzoek beslist de officier van justitie welke vervolgingsbeslissing wordt genomen.
-
De officier van justitie stelt van zijn beslissing direct de ambtenaar, bedoeld in artikel 6.5.14, eerste lid, in kennis.