Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

De strafbeschikking

Artikel 3.3.1

  1. De officier van justitie kan, indien hij vaststelt dat een overtreding is begaan of een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, een strafbeschikking uitvaardigen.

  2. De volgende straffen en maatregelen kunnen worden opgelegd:

    1. een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uur;

    2. een geldboete;

    3. onttrekking aan het verkeer;

    4. de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer;

    5. ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste zes maanden.

  3. Verder kan de strafbeschikking aanwijzingen bevatten waaraan de verdachte moet voldoen. Zij kunnen inhouden:

    1. afstand van voorwerpen die zijn inbeslaggenomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;

    2. uitlevering, of voldoening aan de Staat van de geschatte waarde, van voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring;

    3. voldoening aan de Staat van een geldbedrag of overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel;

    4. storting van een vast te stellen geldbedrag in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen, waarbij het bedrag niet hoger kan zijn dan de geldboete die ten hoogste voor het feit kan worden opgelegd;

    5. andere aanwijzingen, het gedrag van de verdachte betreffend, waaraan deze gedurende een bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van ten hoogste een jaar dient te voldoen.

  4. Bij het opleggen van een taakstraf en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, geldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  5. De proeftijd van een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend loopt niet gedurende de tijd dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

  6. De strafbeschikking vermeldt:

    1. de naam en het van de verdachte bekende adres;

    2. een opgave van het feit als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, dan wel een korte omschrijving van de gedraging ter zake waarvan de strafbeschikking wordt uitgevaardigd, alsmede de tijd waarop en de plaats waar deze gedraging werd verricht;

    3. het strafbare feit dat deze gedraging oplevert;

    4. de opgelegde straffen, maatregelen en aanwijzingen;

    5. de dag waarop zij is uitgevaardigd;

    6. de wijze waarop verzet kan worden ingesteld;

    7. de wijze van tenuitvoerlegging.

  7. Indien blijkt dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en de strafbeschikking is uitgevaardigd wegens een misdrijf, wordt de strafbeschikking of in ieder geval de in het zesde lid bedoelde onderdelen daarvan vertaald in een voor de verdachte begrijpelijke taal. De verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, kan verzoeken dat de strafbeschikking in een voor hem begrijpelijke taal wordt vertaald.

Artikel 3.3.2

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende overtredingen tot wederopzegging de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete wordt opgelegd.

  2. Verder kan bij algemene maatregel van bestuur aan daartoe aan te wijzen opsporingsambtenaren in bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken betreffende misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van niet meer dan zes jaar, welke van eenvoudige aard zijn, begaan door personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, tot wederopzegging de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen waarin een geldboete van ten hoogste € 350 wordt opgelegd.

  3. De opsporingsambtenaren maken van de hun op grond van het eerste en tweede lid verleende bevoegdheid gebruik volgens richtlijnen, vast te stellen door het College van procureurs-generaal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot de aanwijzing van opsporingsambtenaren, het toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheden gebruik maken alsmede de intrekking van de aanwijzing van een opsporingsambtenaar.

Artikel 3.3.3

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan daartoe aan te wijzen lichamen of personen, met een publieke taak belast, binnen daarbij gestelde grenzen de bevoegdheid worden verleend een strafbeschikking uit te vaardigen.

  2. De lichamen en personen maken van de hun op grond van het eerste lid verleende bevoegdheid gebruik onder toezicht van en volgens richtlijnen vast te stellen door het College van procureurs-generaal. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven met betrekking tot het toezicht op de wijze waarop zij van de hun verleende bevoegdheid gebruik maken alsmede de intrekking van een verleende bevoegdheid door het College van procureurs-generaal.

  3. Het College van procureurs-generaal stelt richtlijnen als in het tweede lid bedoeld vast na overleg met de lichamen en personen, met een publieke taak belast, op wier gebruik van de bevoegdheid een strafbeschikking uit te vaardigen de richtlijn van invloed is, dan wel met organen die deze lichamen vertegenwoordigen.

Artikel 3.3.4

  1. Een strafbeschikking houdende een taakstraf, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dan wel een aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte door de officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen dan wel zich aan de aanwijzing te houden. De verdachte wordt uiterlijk bij de aanvang van het horen gewezen op de mogelijkheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken.

  2. Een strafbeschikking houdende betalingsverplichtingen uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2.000, wordt slechts uitgevaardigd indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, daaraan voorafgaand is gehoord door de officier van justitie die de strafbeschikking uitvaardigt.

  3. Van het horen van de verdachte op grond van het eerste of tweede lid wordt een verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen die tot afwijken hebben geleid vermeld, voor zover deze redenen niet al mondeling zijn opgegeven. Het opmaken van het verslag kan worden uitgesteld indien het horen van de verdachte op een geluidsopname of geluids- en beeldopname is vastgelegd. De artikelen 2.1.10, vierde lid, en 4.2.34 zijn van overeenkomstige toepassing.

  4. In het geval een strafbeschikking zal worden uitgevaardigd tegen de verdachte, kan de opsporingsambtenaar de verdachte een aankondiging van de strafbeschikking uitreiken. Deze aankondiging kan bij verdenking van een overtreding die met een motorrijtuig is begaan, ook worden achtergelaten in of aan het motorrijtuig. Het model van de aankondiging wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan het opleggen van straffen, maatregelen en aanwijzingen in een strafbeschikking nadere voorwaarden worden gesteld.

Artikel 3.3.5

  1. Een kopie van de strafbeschikking wordt zoveel mogelijk in persoon aan de verdachte uitgereikt. Artikel 1.9.13, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien uitreiking niet in persoon plaatsvindt, wordt de kopie toegezonden.

  2. In geval de strafbeschikking betalingsverplichtingen inhoudt uit hoofde van geldboete en schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2.000, vindt toezending plaats langs elektronische weg, door plaatsing van een bericht in de elektronische voorziening onder notificatie aan de verdachte, of bij aangetekende brief.

  3. Van elke uitreiking of toezending wordt aantekening gehouden op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze.

  4. Indien aan de officier van justitie een verzoek als bedoeld in artikel 1.5.4 is gedaan, wordt aan het slachtoffer een kopie van de strafbeschikking toegezonden. Verder wordt een kopie toegezonden aan de rechtstreeks belanghebbende die de officier van justitie bekend is.

Artikel 3.3.6

  1. De strafbeschikking kan worden ingetrokken of gewijzigd door de officier van justitie die bevoegd is om een daartegen ingesteld verzet ter kennis van de rechtbank te brengen, ook in de gevallen waarin niet overeenkomstig Boek 5, Hoofdstuk 3, verzet is gedaan.

  2. Een wijziging waardoor de omschrijving van het feit niet langer hetzelfde feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zou inhouden, is niet toegestaan.

  3. De officier van justitie kan de termijn verlengen die is gesteld bij een overeenkomstig artikel 3.3.1 gegeven aanwijzing.

  4. Een kopie van de beschikking waarbij de strafbeschikking wordt gewijzigd of ingetrokken wordt aan de verdachte uitgereikt of aan hem toegezonden.

Artikel 3.3.7

Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig is tenuitvoergelegd of die door de officier van justitie wordt ingetrokken kan de verdachte, behoudens een daartoe strekkend bevel van het gerechtshof op grond van Hoofdstuk 5, voor hetzelfde feit niet opnieuw worden vervolgd.

Artikel 3.3.8

  1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën strafbeschikkingen ter zake van misdrijven worden aangewezen die op daarbij te bepalen wijze openbaar worden gemaakt.

  2. De officier van justitie verstrekt desgevraagd een kopie van een strafbeschikking aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de officier van justitie ter bescherming van de belangen van degene ten aanzien van wie de strafbeschikking is uitgevaardigd of van derden, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de officier van justitie een geanonimiseerde kopie van de strafbeschikking verstrekken.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering