De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte een deskundige benoemen die in het register, bedoeld in artikel 1.7.2, is geregistreerd.
Deze bevoegdheid kan in de gevallen bij de wet bepaald ook worden uitgeoefend door de hulpofficier van justitie. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing.
Bij een verzoek tot benoeming van een deskundige kan de verdachte een of meer personen ter benoeming voordragen.
Tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet, kiest de officier van justitie een of meer van de deskundigen uit de door de verdachte voorgedragen personen.
De officier van justitie wijst een verzoek van de verdachte tot benoeming van een deskundige toe voor zover dit redelijkerwijs van belang kan zijn voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen. Hij geeft de verdachte direct kennis van zijn beslissing. Een afwijzing wordt gemotiveerd.
Tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet, stelt de officier van justitie de verdachte direct in kennis van de benoeming, de onderzoeksopdracht en de tijd en de plaats van het onderzoek en stelt hij de verdachte in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn te verzoeken de onderzoeksopdracht aan te passen.
Indien de kennisgeving achterwege is gebleven, wordt zij alsnog gedaan zodra het belang van het onderzoek dat toelaat.
De deskundige kan de officier van justitie ter verheldering van zijn opdracht vragen stellen. Van zijn antwoord daarop stelt de officier van justitie de verdachte in kennis. De officier van justitie kan de kennisgeving uitstellen zolang het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
De officier van justitie kan met de deskundige overleggen. Hij stelt de verdachte in de gelegenheid daarbij aanwezig te zijn, tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet.
De officier van justitie brengt de onderzoeksresultaten ter kennis van de verdachte zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. De kennisgeving van de onderzoeksresultaten wordt niet uitgesteld indien het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de verdachte.
De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte:
de deskundige opdragen aanvullend onderzoek te doen, of
een nieuwe deskundige benoemen met een opdracht tot uitvoering van een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek.
De verdachte kan ter ondersteuning van zijn verzoek hiertoe kennisnemen van de stukken en de onderzoeksresultaten waarop de conclusies van het eerste onderzoek zijn gebaseerd. In het belang van het onderzoek kan de officier van justitie bepalen dat de kennisneming geheel of gedeeltelijk niet wordt toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kennisneming.
Op een verzoek tot benoeming van een nieuwe deskundige is artikel 2.4.1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Het nieuwe onderzoek moet gelijkwaardig zijn aan het eerste onderzoek.
Op de beslissing van de officier van justitie is artikel 2.4.1, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Op het aanvullende onderzoek of het tegenonderzoek is artikel 2.4.2 van overeenkomstige toepassing.
De nieuwe deskundige die een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek verricht, krijgt toegang tot het onderzoeksmateriaal en kan kennisnemen van het eerste onderzoek.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van het aanvullende onderzoek of het tegenonderzoek.