-
In alle gevallen waarin een getuige wordt gehoord, verhoord of ondervraagd, vraagt de verhorende ambtenaar hem ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijn naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum, het adres waarop hij in de basisregistratie personen is ingeschreven en het adres van zijn feitelijke verblijfplaats.
-
Indien over de identiteit van de getuige twijfel bestaat kan zijn identiteit worden vastgesteld door middel van een onderzoek van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De verhorende ambtenaar kan de getuige bevelen zijn identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.
Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel
Inhoud
Hoofdstuk 6
Artikel 1.6.2
-
Aan de getuige wordt mededeling gedaan van:
een voor hem geldende plicht om te verschijnen of te verklaren en de mogelijke gevolgen van het niet nakomen van die plicht; en
een hem toekomend recht op rechtsbijstand.
-
In alle gevallen waarin een getuige als bedoeld in artikel 1.6.5, 1.6.7 of 1.6.8 wordt verhoord, wordt hem meegedeeld dat hij niet tot het afleggen van een verklaring of het beantwoorden van bepaalde vragen verplicht is. Een getuige die medeverdachte is in de zaak waarin hij als getuige wordt verhoord, wordt mededeling gedaan van het verschoningsrecht, bedoeld in artikel 1.6.6.
Artikel 1.6.3
-
De verhorende ambtenaar zorgt ervoor dat de getuige bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft welke feiten en omstandigheden hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.
-
Indien de getuige niet direct nadat hij het feit heeft waargenomen wordt verhoord, vraagt de verhorende ambtenaar de getuige of en, zo ja, hoe hij het verhoor heeft voorbereid.
-
De getuige legt zijn verklaring af zonder van voorwerpen of gegevens gebruik te maken. De verhorende ambtenaar kan de getuige om bijzondere redenen toestaan bij het afleggen van zijn verklaring gebruik te maken van voorwerpen en gegevens.
Artikel 1.6.4
In alle gevallen waarin iemand als getuige wordt verhoord, onthoudt de verhorende ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid is afgelegd.
Artikel 1.6.5
Van het afleggen van een verklaring of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:
de bloed- of aanverwanten van de verdachte of medeverdachte in de rechte lijn;
de bloed- of aanverwanten van de verdachte of medeverdachte in de zijlijn tot en met de derde graad;
de echtgenoot, de geregistreerde partner of de levensgezel van de verdachte of medeverdachte;
de eerdere echtgenoot, de eerdere geregistreerde partner of de eerdere levensgezel van de verdachte of medeverdachte, tenzij de vragen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat het huwelijk is ontbonden dan wel het geregistreerd partnerschap of partnerschap is beëindigd.
Artikel 1.6.6
Getuigen kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen, indien zij daardoor:
zichzelf, hun bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de zijlijn tot en met de derde graad dan wel hun echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zouden blootstellen;
hun eerdere echtgenoot, hun eerdere geregistreerde partner of hun eerdere levensgezel aan het gevaar van een strafrechtelijke vervolging zouden blootstellen, tenzij de vragen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat het huwelijk is ontbonden dan wel het geregistreerd partnerschap of partnerschap is beëindigd.
Artikel 1.6.7
Getuigen die in de uitoefening van hun ambt, beroep of stand verplicht zijn tot een geheimhouding waarin besloten ligt dat het belang van de waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijk belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaring om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen. Zij kunnen zich slechts verschonen omtrent de wetenschap over hetgeen rechtstreeks verband houdt met deze taakuitoefening.
Artikel 1.6.8
-
Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.
-
De rechter kan het beroep van de getuige op het verschoningsrecht afwijzen indien hij oordeelt dat bij het onbeantwoord blijven van deze vragen aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht.
Artikel 1.6.9
Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een bedreigde getuige of een verhoor waarbij artikel 2.10.32 is toegepast, dan wel een daaraan voorafgaand verhoor, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen voor zover dat ter bescherming van de in artikel 2.10.32, eerste lid, of artikel 2.10.39, eerste lid, genoemde belangen noodzakelijk is.
Artikel 1.6.10
Getuigen die uit hoofde van hun ambt of beroep betrokken zijn bij het verhoor van een afgeschermde getuige verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.
Artikel 1.6.11
Getuigen die als rechter-commissaris of als vertegenwoordiger van het ambt, de beroepsgroep of de stand waartoe de verschoningsgerechtigde behoort, bedoeld in artikel 2.7.62, derde lid, hebben kennisgenomen van aan voorwerpen te ontlenen informatie of gegevens waarover op grond van artikel 2.7.62, eerste lid, onherroepelijk is beslist dat niet tot kennisneming daarvan mag worden overgegaan, verschonen zich van het beantwoorden van een daarover gestelde vraag.
Artikel 1.6.12
Het aantal ondervragingen van een minderjarige getuige wordt tot een minimum beperkt.
Artikel 1.6.13
-
Indien een minderjarige getuige wordt uitgenodigd voor het verhoor of daartoe wordt opgeroepen, wordt de ouder van de minderjarige getuige direct mededeling gedaan van:
het tijdstip, de datum en de plaats van het verhoor; en
de wijze waarop het verhoor wordt afgenomen.
-
De ouder van de minderjarige getuige wordt mededeling gedaan van een voor de getuige geldende plicht om te verschijnen of te verklaren, een aan de getuige toekomend recht op rechtsbijstand en een aan de getuige toekomend verschoningsrecht.
-
Van de mededeling aan de ouder kan worden afgezien indien het belang van de minderjarige getuige of het belang van het onderzoek zich daartegen verzet en indien de ouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.
Artikel 1.6.14
-
Tenzij zij bij koninklijk besluit tot het afleggen van een getuigenis zijn gemachtigd, worden niet als getuigen opgeroepen of gehoord, de Koning, de vermoedelijk opvolger van de Koning, hun echtgenoten en de regent.
-
Een regeling van vormen die bij het verhoor in acht zijn te nemen, wordt bij het besluit tot machtiging gegeven.
Artikel 1.6.15
-
Onze Minister kan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze specifieke maatregelen treffen voor de feitelijke bescherming van getuigen.
-
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een persoon die medewerking heeft verleend aan de met opsporing en vervolging van strafbare feiten belaste autoriteiten, voor zover daartoe een dringende noodzaak is ontstaan als gevolg van die medewerking en daarmee verband houdend overheidsoptreden.
-
Onze Minister kan ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten aanwijzen die ter uitvoering van het krachtens het eerste en tweede lid bepaalde, bevoegd zijn zich voor medewerking bij de te verlenen feitelijke bescherming te wenden tot eenieder.
-
Indien de in het derde lid bedoelde medewerking niet wordt verleend, kan de officier van justitie in het belang van de feitelijke bescherming van de getuige, deze medewerking bevelen.
-
De geldende wettelijke voorschriften ter zake van de in het derde en vierde lid bedoelde medewerking blijven, voor zover deze in de weg staan aan het verlenen van de medewerking, buiten toepassing.
-
Degene tot wie een verzoek tot medewerking als bedoeld in het derde lid of een bevel als bedoeld in het vierde lid is gericht, neemt in belang van de feitelijke bescherming van de getuige geheimhouding in acht over al hetgeen hem bekend is ten aanzien van het verzoek tot medewerking of het bevel.
-
Een bevel als bedoeld in het vierde lid kan niet worden gericht tot de verdachte. Artikel 2.7.58, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.