Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

Vervolging en opsporing van strafbare feiten

Artikel 1.3.1

  1. Het College van procureurs-generaal waakt voor de behoorlijke vervolging en opsporing van strafbare feiten.

  2. Het College van procureurs-generaal kan algemene aanwijzingen geven voor de vervolging en opsporing.

Artikel 1.3.2

  1. Met de vervolging van strafbare feiten die door de rechtbanken worden berecht, is in eerste aanleg de officier van justitie en in hoger beroep de advocaat-generaal belast.

  2. Met de vervolging van strafbare feiten die door de Hoge Raad worden berecht, is de procureur-generaal bij de Hoge Raad belast.

Artikel 1.3.3

  1. De officier van justitie kan vervolging instellen door:

    1. het uitvaardigen van een strafbeschikking;

    2. het aanbrengen ter berechting door indiening van een procesinleiding.

  2. In de gevallen en onder de voorwaarden bij of krachtens de wet bepaald kan vervolging door het uitvaardigen van een strafbeschikking ook ingesteld worden door:

    1. opsporingsambtenaren;

    2. vertegenwoordigers van organisaties en personen met een publieke taak belast.

Artikel 1.3.4

Van het instellen van vervolging kan mede worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 1.3.5

De officier van justitie kan zijn bevoegdheden tot het doen van vorderingen en het indienen van procesinleidingen bij alle rechtbanken uitoefenen.

Artikel 1.3.6

De officier van justitie bij een arrondissementsparket richt zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten die door de rechtbank in het arrondissement worden berecht.

Artikel 1.3.7

De officier van justitie bij het landelijk parket, de officier van justitie bij het functioneel parket en de officier van justitie bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie richten zich bij de uitoefening van hun bevoegdheden in het bijzonder op de strafbare feiten ten aanzien waarvan dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

Artikel 1.3.8

Indien de officier van justitie bij een parket de bewaring heeft gevorderd, heeft gevorderd dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, of een procesinleiding heeft ingediend, kan een officier van justitie bij een ander parket niet met de verdere behandeling van de zaak worden belast, tenzij de verdere behandeling van de zaak met inachtneming van artikel 1.3.9 bij een andere rechtbank plaatsvindt.

Artikel 1.3.9

De officier van justitie die de bewaring vordert of die vordert dat de rechter-commissaris onderzoek verricht op grond van artikel 2.10.1, wendt zich bij de verdere behandeling van de zaak tot de rechtbank van hetzelfde arrondissement, tenzij nog geen procesinleiding is ingediend en hij van oordeel is dat:

  1. die rechtbank onbevoegd is het feit te berechten;

  2. de zaak moet worden samengevoegd met een zaak waarin bij een andere rechtbank onderzoek is of wordt verricht.

Artikel 1.3.10

Met de opsporing van strafbare feiten zijn als gewoon opsporingsambtenaar belast:

  1. de officieren van justitie;

  2. de ambtenaren van politie in de zin van artikel 2 van de Politiewet 2012, voor zover zij zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

  3. de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;

  4. de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

Artikel 1.3.11

  1. Met de opsporing van strafbare feiten zijn als buitengewoon opsporingsambtenaar belast:

    1. de personen aan wie door Onze Minister of door het College van procureurs-generaal een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend;

    2. de meerderjarige personen, behorend tot door Onze Minister aangewezen categorieën of eenheden;

    3. de personen die bij of krachtens bijzondere wetten met de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten zijn belast, met uitzondering van de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, of die bij of krachtens verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd.

  2. De opsporingsbevoegdheid van de in het eerste lid, onder a en b, bedoelde buitengewoon opsporingsambtenaren strekt zich uit tot de feiten die behoren tot een bij regeling van Onze Minister vastgesteld en in de akte, onderscheidenlijk aanwijzing genoemd domein. Een domein kan alle strafbare feiten omvatten.

  3. Onze Minister kan bepalen dat voor door hem aan te wijzen categorieën of eenheden van de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde buitengewoon opsporingsambtenaren, de opsporingsbevoegdheid zich mede uitstrekt over andere strafbare feiten. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verlening van de akte en het doen van de aanwijzing, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewoon opsporingsambtenaren, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gesteld over de eisen van bekwaamheid en integriteit waaraan zij moeten voldoen.

  5. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, of derde lid, wordt kennis gegeven door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 1.3.12

  1. De officier van justitie kan zijn bevoegdheid tot opsporing in het gehele land uitoefenen.

  2. De andere gewoon opsporingsambtenaren kunnen hun bevoegdheid tot opsporing in het gehele land uitoefenen met inachtneming van hetgeen bij of krachtens de wet is bepaald.

  3. De bevoegdheid tot opsporing van de buitengewoon opsporingsambtenaar is beperkt tot het grondgebied waarvoor hij is aangesteld, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.

Artikel 1.3.13

  1. Hulpofficier van justitie zijn:

    1. de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012;

    2. de door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie bij ministeriële regeling aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee;

    3. de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten;

    4. de door Onze Minister bij ministeriële regeling aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaren.

  2. De hulpofficier van justitie oefent zijn bevoegdheden uit binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheid tot opsporing.

Artikel 1.3.14

De officier van justitie kan de andere opsporingsambtenaren bevelen geven met betrekking tot de uitoefening van hun bevoegdheden.

Artikel 1.3.15

De opsporingsambtenaar kan onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen van de uitoefening of de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing afzien op gronden aan het algemeen belang ontleend.

Artikel 1.3.16

  1. De opsporingsambtenaar verstrekt de officier van justitie en de hulpofficier van justitie gevraagd en ongevraagd de inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheden.

  2. De opsporingsambtenaar kan bij de uitoefening van zijn bevoegdheid de hulp inroepen van de politie en de Koninklijke marechaussee.

Artikel 1.3.17

De officier van justitie beveelt op verzoek van de advocaat-generaal dat het opsporingsonderzoek wordt verricht dat de advocaat-generaal nodig oordeelt in een zaak die bij het gerechtshof aanhangig is.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering