Nieuw Wetboek van Strafvordering Actueel

Inhoud

Hoofdstuk 3

Verzet tegen strafbeschikkingen

Artikel 5.3.1

  1. De verdachte kan verzet instellen tegen een strafbeschikking binnen twee weken nadat een kopie daarvan in persoon aan hem is uitgereikt dan wel zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is.

  2. Onverminderd het eerste lid kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding die ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden ingesteld tot uiterlijk zes weken na toezending.

Artikel 5.3.2

  1. Onverminderd artikel 5.2.7 kan de verdachte afstand doen van de bevoegdheid om verzet in te stellen door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen.

  2. De verdachte kan tegenover een opsporingsambtenaar afstand doen van de bevoegdheid om verzet in te stellen, indien hij daarbij wordt bijgestaan door een raadsman. Alvorens de verdachte afstand doet, deelt de opsporingsambtenaar hem mee dat een gedane afstand niet kan worden herroepen. Van afstand is pas sprake als deze is vastgelegd en door de verdachte ondertekend.

  3. Verzet kan worden ingetrokken tot een week nadat de procesinleiding aan de verdachte is betekend.

Artikel 5.3.3

Bij het verzet kunnen bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven.

Artikel 5.3.4

  1. Tegen een gewijzigde strafbeschikking kan verzet worden ingesteld met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.3.1 tot en met 5.3.3.

  2. Een reeds ingesteld verzet wordt geacht te zijn gericht tegen de gewijzigde strafbeschikking, tenzij vrijwillig aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan.

Artikel 5.3.5

  1. De officier van justitie brengt, tenzij hij de strafbeschikking intrekt, de zaak zo spoedig mogelijk ter berechting aan door het verzet en de processtukken samen met de procesinleiding in te dienen bij de voorzitter van de rechtbank dan wel de enkelvoudige kamer en de procesinleiding, in het laatste geval vergezeld van een oproeping voor de terechtzitting, aan de verdachte te betekenen. De berechting vangt hierdoor aan.

  2. De omschrijving van de gedraging in de procesinleiding is gelijk aan de omschrijving van het feit in de strafbeschikking of betreft een opgave van hetzelfde feit.

  3. De behandeling van de zaak vindt plaats overeenkomstig Boek 4.

Artikel 5.3.6

Indien de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt zij de strafbeschikking.

← terug naar Nieuw Wetboek van Strafvordering